De familie Abrahams en Eddy de Wind uit Den Haag

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

Paspoort van Ezra Daniel Abrahams en zijn echtgenote Via Alida Abrahams-van der Klei, ca. 1942 –
www.joodsmonument.nl

Edwin van Baarle deed ter gelegenheid van Yom HaShoah 2016 en 2017 onderzoek naar de Joodse familie Abrahams die in zijn straat – de Van der Parrastraat in het Bezuidenhout – woonde en naar Eddy de Wind uit Den Haag.

Bij mij in de straat woonde de familie Abrahams

Bij mij in de straat, op nummer 30, woonde de familie Abrahams. Vanaf mijn balkon kijk ik hun achtertuin in. De man die er nu woont steekt soms zwijgend zijn hand op als hij mij een sigaretje ziet roken in de deuropening. Het is een rustige buurt.

Bij mij in de straat woonde de familie Abrahams. Vader Ezra, moeder Via en hun eenjarig zoontje Isidor. Die ongetwijfeld Ies of Iessie zal zijn genoemd. Bij de verplichte registratie van Joden in januari 1941 gaf vader als beroep kantoorchef op. Moeder had gewerkt in het nieuwe Joodse Weeshuis Ezer Jatom aan de Pletterijstraat 66. In de oorlog had zij geen betaalde baan, maar zocht volgens een advertentie in Het Joodsche Weekblad van 1 mei 1942 wel een meisje om te assisteren in de huishouding ‘voor hele of halve dagen, eventueel ter opleiding’.

Van der Parrastraat,
in het woonhuis rechts, waar de blauwe bankjes staan, woonde de familie Abrahams –
foto Edwin van Baarle

Ik ben één keer in hun huis geweest, toen de man en zijn vriendin een wijn- en kaasproeverij voor de straatbewoners organiseerden. Onder leiding van een sommelier met een Frans accent proefden we van verschillende wijnen en leerden we over bijpassende kazen. In de tuin van een vermoorde familie. Geen van de aanwezigen zal zich er bewust van zijn geweest.

Vanaf de plek waar ik stond, keek ik de woonkamer in. Waar ze wellicht tijdens het avondeten hun opties hebben besproken. De tuindeuren gesloten, zodat de buren het niet zouden horen. Blijven of vluchten. Die vraag moet ook hen hebben beziggehouden.

De familie Abrahams dook onder. Eerst in Den Haag. In de winter van 1942/1943 waagden ze de gok en vluchtten de grens over. Naar Brussel, waar de schoonouders van Ezra’s broer woonden. Ezra werd in Brussel opgepakt en via Mechelen, het doorgangskamp voor Joden in België, gedeporteerd naar Auschwitz. Hij werd hier op 3 augustus 1943 vermoord, 35 jaar oud.

Zijn vrouw vluchtte verder naar het zuiden, met haar tweejarig zoontje en inmiddels zwanger van een tweede. Ze probeerden Zwitserland te bereiken, maar de smokkelaar die hen zou helpen droeg hen in Frankrijk over aan de Gestapo.

Moeder en zoon kwamen terecht in Drancy, het Franse doorgangskamp net buiten Parijs. Hier werd op 14 september haar tweede zoon, Alexandre, geboren. Het drietal dook daarna twee maanden later weer op in de documenten. Via en haar zoontjes stonden op de Franse transportlijst van konvooi 62, dat op 20 november 1943 vertrok van Drancy naar Auschwitz.

Het transport telde precies 1200 gevangenen. Vanwege de beginletter van hun achternaam staat de familie Abrahams op de eerste pagina van de transportlijst; onder de nummers 5, 6 en 7. De aankomst in Auschwitz werd drie dagen later geregistreerd, op 23 november. Een moeder met een peuter en een baby. Bij de selectie maakten ze geen schijn van kans. Binnen enkele uren werden ze omgebracht; 35 jaar, 2 jaar, en 2 maanden oud.

Enkele jaren geleden dook in de nalatenschap van een man uit Den Haag het gezinspaspoort van de familie Abrahams op. Waarschijnlijk is het achtergebleven op hun onderduikadres. In het document staan foto’s van vader en moeder Abrahams. Het is het enige wat er van hen is overgebleven.

Bij mij in de straat woonde de familie Abrahams. Ze zijn nooit meer thuisgekomen.

Eliazer (Eddy) de Wind (1922-1942) –
www.joodsmonument.nl

Eddy de Wind uit Den Haag

Eddy heette voluit Eliazer de Wind en was de jongste in een gezin van drie kinderen. Hij was in Den Haag geboren op 3 juli 1922. Net als zijn vader Joël de Wind was hij fietsenmaker. De familie had een fietsenzaak aan de Beeklaan 71e in Den Haag en woonde bij de winkel. De ruit van het pand vermeldt dat het nu een exportbedrijf voor auto’s huisvest.

De twee oudere zussen van Eddy, Fanny en Fietje, waren allebei al getrouwd en het huis uit. Eddy was het nakomertje van het gezin. In de zomer van 1942 kreeg hij zoals veel Joodse mannen een oproep om te vertrekken naar een werkkamp in het oosten van Nederland. Aanvankelijk werden alleen Joden opgeroepen die werkloos waren. Later kwamen daar ook mannen bij die nog wel een baan hadden, zoals Eddy.

Op de avond vóór Eddy naar een werkkamp moest vertrekken, nam hij afscheid van zijn niet-Joodse vrienden, een jong stel die met hun zoontje een straat verder woonde. Het moet een aangrijpende gebeurtenis zijn geweest. Voor zoon Ger is het zijn vroegste herinnering. Vijfenzeventig jaar later vertelt hij: ‘Ik was 2,5 jaar en ik weet alleen nog dat het heel emotioneel was. Duidelijk iets wat ik nog niet eerder had meegemaakt. Daarom is het me bijgebleven. Maar een concreet beeld heb ik er niet meer bij.’

Op 14 augustus vertrok hij in een groep van 182 Joodse mannen uit Den Haag naar het werkkamp Beugelen bij Staphorst. Er is weinig over het kamp bekend. Eddy bleef er ook maar kort. Zes dagen. En toen ging hij naar het doorgangskamp Westerbork, de plek waarvandaan sinds juli 1942 de ene na de andere trein met Nederlandse Joden naar Polen vertrok.

Eddy kwam op 20 augustus in Westerbork aan. In het archief van het Rode Kruis in Den Haag bevindt zich zijn registratiekaart die is aangemaakt toen hij in het doorgangskamp arriveerde. Met daarop de weerslag van de antwoorden die hij gaf op de vragen die hem door een Joodse typist werden gesteld. ‘Wat is je naam? Geboortedatum? Laatste adres? Beroep? Wie zijn je ouders? Reis je alleen?’

Op Beeklaan 71e was de fietsenwinkel van de familie De Wind gevestigd –
foto Edwin van Baarle

In Westerbork ontmoette Eddy weer zijn oudste zus Fanny en haar man Mozes Appelboom, die een dag eerder met het eerste transport uit Den Haag in het kamp waren aangekomen. Het zou goed kunnen dat Eddy wist dat zijn zus en zwager naar Westerbork waren overgebracht en zich vrijwillig bij hen heeft aangesloten. Zeker in de begintijd van de deportaties, toen het verhaal van werkkampen in Polen nog geloofwaardig leek, kwam het regelmatig voor dat mensen zich vrijwillig naar Westerbork begaven om zich bij familieleden of geliefden te voegen.

Wat Eddy die laatste dag in Nederland heeft gedaan, is niet bekend. Op bed gerust, met zijn zus gespeculeerd over wat hen in Polen te wachten zou staan, de bagage opnieuw ingepakt. Verder was het vooral wachten op de dingen die komen gingen.

De gebeurtenissen volgden elkaar snel op. De volgende dag, vrijdag 21 augustus 1942, vertrok de twaalfde trein uit Nederland naar Auschwitz. Eddy, zijn zus en zwager stonden op de transportlijst. In totaal moesten die dag 1008 mannen, vrouwen en kinderen mee, grotendeels afkomstig uit Den Haag. De trein bestond uit twintig wagons. Een medewerker van de kampadministratie schreef met een rood potlood overdwars in grote letters op de registratiekaart van Eddy de afkorting “Tr. 21-8-42”, om aan te geven dat hij was afgevoerd.

De 28-jarige Jesaias Boas uit Den Haag was een van de zes overlevenden van het transport. In een na de oorlog afgelegde verklaring vertelde hij zich nog een incident te herinneren bij het vertrek uit het kamp, dat tot diepe ontzetting bij de gedeporteerden moet hebben geleid.
‘Een familielid van mij werd doodgeschoten. Deze moest namelijk voor zijn vrouw een paar luiers halen uit de bagage en dit werd door de wachtpost niet toegestaan. De man maakte zich zo kwaad, dat hij de Duitser een klap in het gezicht gaf, met het bekende noodlottige gevolg.
Wij liepen van Westerbork naar Hooghalen waar wij in een personentrein werden ingeladen. Er waren zelfs wagons eerste en tweede klasse bij. De coupédeuren werden afgesloten en de trein vertrok in oostelijke richting. Langs de route zagen wij overal zwaaiende landgenoten en er werden nog brieven uit de trein geworpen, waarvan enkele later zijn aangekomen, o.a. bij kennissen van mij. In Berlijn hebben wij enige uren oponthoud gehad en wij arriveerden ten slotte op 23 augustus 1942 in Auschwitz. Men liet ons de hele nacht in de wagons zitten en tegen circa 2 uur werden wij letterlijk uit de trein getrapt. Er was nog een dikke Joodse dame bij, die uit Indië kwam en die niet zo snel door het portier kon. Een SS-er ging achter haar staan en gaf haar een trap, waardoor ze uit de trein viel en dood bleef liggen. Haar zoontje van 13 jaar en zijn vader, die ouder dan 55 jaar was, zijn door de selectie heen gekomen door op te geven dat ze respectievelijk 15 en 52 jaar waren.’

Na aankomst werden in totaal 411 mannen en 217 vrouwen geselecteerd voor dwangarbeid. De overige 380 gedeporteerden, voornamelijk moeders met kinderen, werden direct in de gaskamers omgebracht.

Eddy, zijn zus en zwager kwamen alle drie door de selectie heen. Eddy kreeg een nummer in de serie 60774-61184 in zijn arm getatoeëerd en werd als dwangarbeider te werk gesteld. Hij hield het iets meer dan zeven weken vol. Op 12 oktober 1942 werd Eddy vermoord in Auschwitz. Hij bereikte de leeftijd van 20 jaar. Zijn zus Fanny was toen al dood. Haar overlijdensdatum is vastgesteld op 30 september 1942. Haar man hield het nog vol tot 25 november, toen werd ook hij vermoord.

Precies één week na de dood van hun zoon, kwamen ook Eddy’s ouders Joël de Wind en Betje de Wind-de Groot in Auschwitz aan, met het inmiddels 28ste transport uit Nederland. Ze werden meteen vergast. Eddy’s zus Fietje, die ook haar niet-Joodse man in de oorlog verloor, is de enige overlevende van het gezin.

Na de oorlog kwam ze nog wel eens langs bij de vrienden van Eddy. Ook al had ze bijna iedereen verloren die haar lief was, ze maakte op Ger geen gebroken of gedeprimeerde indruk. ‘Absoluut niet. Het was een levenslustige vrouw.’

In Eddy’s persoonsdossier bij het Rode Kruis bevinden zich ook brieven van zijn zus Fietje, die in de jaren zestig een aanvraag indiende voor een Duitse schadevergoeding voor de moord op haar broer. De aanvraag werd afgewezen. Als zus kwam ze niet in aanmerking. Haar ouders wel. Zij konden een aanvraag indienen. Fietje liet het hierbij.

Eddy’s vrienden hebben zijn foto altijd bewaard. Ger vertelt: ‘En je weet hoe dat gaat. Op regenachtige zondagmiddagen kwam het album met die foto dan wel eens tevoorschijn. Zodoende kende ik zijn verhaal.’

Door Edwin van Baarle