Den Haag 29 juni 1940 – Anjerdag – de eerste grote anti-Duitse demonstratie in bezet Europa

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

Op 29 juni was het 75 jaar geleden dat in bezet Europa de eerste grote anti-Duitse demonstratie plaatsvond. Vele Hagenaars gingen die dag de straat op om hun afkeer van de bezetting te tonen. Naar aanleiding van dit protest namen de bezetters hun eerste anti-Joodse maatregel: de verwijdering van Joden uit de Luchtbeschermingsdienst.

Het eerste grote protest in bezet Europa

Anjerdag, bloemen op de trappen van Noordeinde - collectie Haags Gemeentearchief

Anjerdag, bloemen op de trappen van Noordeinde –
collectie Haags Gemeentearchief

Op 29 juni 1940 vierde prins Bernhard zijn 29ste verjaardag. Op die dag klonk overal in Den Haag en op kleinere schaal in een aantal andere steden protest tegen de bezetting. Het was tevens de eerste grote anti-Duitse demonstratie in bezet Europa.

Een protest met anjers en goudsbloemen
Burgemeester en wethouders van Den Haag voorzagen eind juni 1940 dat de Haagse burgerbevolking de verjaardag van prins Bernhard zou aangrijpen om tegen de bezetting te protesteren. Daarom zonden zij op 24 juni 1940 een circulaire aan de onderwijsinstellingen in Den Haag met de mededeling dat de scholen op 29 juni niet mochten vlaggen, maar dat er geen bezwaar bestond indien schoolkinderen op deze dag oranje of ‘nationale kleuren’ zouden dragen.
In de dagen daarna legden verschillende mensen bloemen – vooral anjers en goudsbloemen – bij paleis Noordeinde
In de dagen voorafgaand aan de verjaardag van prins Bernhard waren er al bloemen – vooral anjers en goudsbloemen – gelegd bij paleis Noordeinde en voor het standbeeld van Willem van Oranje tegenover het gebouw. De anjers verwezen naar de lievelingsbloem van prins Bernhard. Sinds zijn studententijd had de prins de gewoonte zich met een witte anjer te tooien. De goudsbloemen waren er neergelegd vanwege hun oranje kleur.

De bloemen bleven daar niet liggen. Op vrijdag 28 juni – de dag voor de verjaardag van de prins – had hoofdcommissaris van politie N.G. van der Mey opdracht gegeven de bloemen weg te halen en in het paleis te brengen.

Anjerdag

Een stralende oranjezon lokte de mensen op 29 juni naar buiten. Vele Hagenaars gingen op deze dag spontaan de straat op om hun afkeer van de bezetting te tonen. Rood-wit-blauwe strikjes, oranje haarbanden, goudsbloemen of anjers sierden hun kleding. Haagse kinderen togen ’s ochtends naar school in oranje jurken of met oranje sjerpen. Vanwege de anjers die deze dag demonstratief werden gedragen of als bloemenhulde werden neergelegd, zou 29 juni 1940 de naam Anjerdag gaan dragen.

Anjerdag, generaal Winkelman wordt toegejuichd na zijn aankomst bij paleis Noordeinde - collectie Haags Gemeentearchief

Anjerdag, generaal Winkelman wordt toegejuichd na zijn aankomst bij paleis Noordeinde –
collectie Haags Gemeentearchief

Drommen mensen kwamen die zonnige zaterdagmorgen naar het Noordeinde om het felicitatieregister te tekenen. Het was zelfs zo druk dat werd besloten ook buiten het paleis tafels te plaatsen, zodat men ook daar kon tekenen. De wachtende menigte juichte de opperbevelhebber van de Nederlandse Land- en Zeestrijdkrachten generaal H.G. Winkelman luid toe, toen ook hij kwam tekenen en begon vervolgens spontaan het Wilhelmus te zingen.
In opdracht van burgemeester S.J.R. de Monchy waren de bloemen weer uit het paleis naar buiten gedragen en opnieuw voor het paleis geplaatst.
De Haagse hoofdcommissaris zag de gebeurtenissen in de Haagse binnenstad met lede ogen aan. Uit angst voor reacties van de Duitse bezetter besloot hij daarom het Noordeinde af te sluiten. Dit zorgde evenwel niet voor beëindiging van de protesten.

Demonstraties overal in Den Haag

Na de afsluiting van het Noordeinde gingen de acties verder in andere delen van Den Haag. Nu kwamen er ook bloemen te liggen op Plein 1813. Bij het standbeeld van koningin-moeder Emma in het Rosarium op het Jozef Israëlsplein stonden eveneens vele mensen te wachten om een bloemenhulde met anjers of goudsbloemen te brengen. In de stad fietsten overal scholieren die luid hun fietsbellen lieten rinkelen en Oranje-leuzen riepen, en hiermee hun anti-Duitse gevoelens toonden. Andere wielrijders hadden hun karretjes met guirlandes van goudsbloemen getooid. De draaiorgels speelden het Wilhelmus.

Johan Jozef Boasson, de Joodse gemeentesecretaris van Den Haag, schreef in zijn dagboek: ‘zeer velen met oranje getooid, kokarde, lint of – de meeste met oranjedingen – met goudsbloemen, velen ook met witte anjers’.
Een Haagse vrouw noteerde: ‘De dag van tevoren zag je al allerlei mensen met bosjes anjers: de bloemenwinkels konden er haast niet tegen op leveren. En toen op de dag zelf ieder in de straat er mee verscheen, toen was dat als het ware een verbroedering. De menschen keken elkaar glimlachend aan, al kende je ze niet.’

Goudsbloemen en anjers bij paleis Noordeinde - fotograaf A. Ament

Goudsbloemen en anjers bij paleis Noordeinde –
fotograaf A. Ament

Vechtpartijen in de stad
De anti-Duitse demonstratie overdag verliep vreedzaam. ’s Avonds waren er echter verschillende vechtpartijen in het centrum van Den Haag. Op een aantal plaatsen in de stad raakten NSB’ers en aanhangers van de antisemitische splinterpartij NSNAP (Nationaal-Socialistische Nederlandsche Arbeiderspartij) slaags met protesterende Hagenaars.

Reacties van de Duitse bezetter op het Haagse protest

De Duitse bezetter was volledig verrast door het protest en wist op 29 juni niet goed op deze eerste grote anti-Duitse demonstratie in bezet Europa te reageren. Rijkscommissaris A. Seyss-Inquart had weliswaar eveneens de opdracht gegeven om het Noordeinde af te sluiten, maar wilde op deze dag geen harde maatregelen nemen.
Het hoofd van de Wehrmacht F.C. Christiansen wilde wel stevig ingrijpen, maar werd tegengehouden. Hij uitte zijn afkeer van de protesten van de Haagse bevolking door aan het begin van de avond een aantal vliegeniers de opdracht te geven dreigende duikvluchten boven Den Haag te maken, alsof zij de stad gingen bombarderen.
Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945

Nadat op 29 juni 1940 het Noordeinde was afgesloten plaatsten veel mensen hun bloemen voor het standbeeld van koningin-moeder Emma in het Rosarium op het Jozef Israëlsplein - collectie Haags Gemeentearchief

Nadat op 29 juni 1940 het Noordeinde was afgesloten plaatsten veel mensen hun bloemen voor het standbeeld van koningin-moeder Emma in het Rosarium op het Jozef Israëlsplein –
collectie Haags Gemeentearchief

Naar aanleiding van de gebeurtenissen in Den Haag had Ernst Schwebel, de Beauftragte (gevolmachtigde) voor Zuid-Holland, op 8 juli en 9 juli besprekingen met rectoren van middelbare scholen. Het was zijn taak rijkscommissaris Seyss-Inquart op de hoogte te houden van de ontwikkelingen in Zuid-Holland en Den Haag. Schwebel maakte voor hem een verslag: ‘Jugend der Höheren Schulen’, jongeren uit het middelbaar onderwijs hadden volgens Schwebel de ‘Radfaherdemonstrationen’ (fietsdemonstraties) georganiseerd. Hun protesten waren duidelijk gericht tegen de bezettende macht. Bovendien hadden informanten hem verteld dat er in het Haagse lerarenkorps veel sympathie voor Engeland was.

De reacties van de Duitse bezetter in de daaropvolgende dagen waren fel. Een groot aantal maatregelen werd genomen. De media mochten de namen van de leden van het Koninklijk Huis niet meer noemen. Tal van instellingen moesten het begrip ‘koninklijke’ uit hun naam schrappen, zo werd de Koninklijke Bibliotheek omgedoopt in Nationale Bibliotheek. Verder werd het de Nederlanders verboden naar andere dan Nederlandse of Duitse zenders te luisteren.
Seyss-Inquart zorgde tenslotte dat de bloembeheerders bij paleis Noordeinde en generaal Winkelman werden bestraft en ontsloeg De Monchy. De burgemeester zou pas in mei 1945 weer in zijn ambt terugkeren.

De eerste anti-Joodse maatregel in Nederland

Brief van Otto Schumann, Generalmajor van de Duitse Ordnungspolizei, aan de rijksinspecteur van de Luchtbeschermingsdienst, waarin hij aangeeft dat Joden niet langer lid mogen zijn van de Luchtbeschermingsdienst vanwege hun rol op Anjerdag, 1 juli 1940 - Haags Gemeentearchief, archief Luchtbeschermingsdienst

Brief van Otto Schumann, Generalmajor van de Duitse Ordnungspolizei, aan de rijksinspecteur van de Luchtbeschermingsdienst, waarin hij aangeeft dat Joden niet langer lid mogen zijn van de Luchtbeschermingsdienst vanwege hun rol op Anjerdag, 1 juli 1940 – Haags Gemeentearchief, archief Luchtbeschermingsdienst

Eveneens naar aanleiding van Anjerdag namen de Duitsers hun eerste anti-Joodse maatregel in Nederland: de verwijdering van Joden uit de gemeentelijke luchtbeschermingsdiensten. Deze dienst had in de oorlog de taak tijdens luchtaanvallen burgers en gebouwen te beschermen.
Volgens de bezetter hadden anti-Duitse leden van deze dienst mensen aangespoord met een bloem in het knoopsgat de straat op te gaan. Zij hadden volgens de bezetter vooral een Joodse achtergrond.

Op 1 juli 1940 werd aan de Herengracht 23 in Den Haag bij de met de nazi’s sympathiserende rijksinspecteur voor de burgerlijke luchtbescherming, kapitein Adrianus van Batenburg, een brief bezorgd afkomstig van Otto Schumann, Generalmajor der Ordnungspolizei. Volgens deze brief hadden anti-Duitse leden van de luchtbescherming op Anjerdag actief deelgenomen aan de demonstraties, en in Den Haag huis aan huis erop aangedrongen die dag ‘die weisse Blume anzulegen’.
Na 1 juli 1940 mochten Joden niet langer lid zijn van de Luchtbeschermingsdiensten in Nederland. De wijkhoofden en plaatsvervangende wijkhoofden met een Joodse achtergrond kregen te horen dat zij ontslag moesten nemen. Een aantal Joden weigerde dit en liet op het ontslagformulier nadrukkelijk vastleggen dat het ontslag ‘niet op eigen verzoek’ had plaatsgevonden. Het ontslag van de gewone leden had meer voeten in de aarde, omdat in sommige delen van Den Haag – zoals de buurt achter het Spui – de Luchtbeschermingsdienst voornamelijk Joodse medewerkers had. Eind oktober 1940 besloot Van Batenburg daarom aan de diensten in dergelijke buurten ontheffing te verlenen en Joden in de organisatie toe te staan. Uit een brief van 2 december 1941 van de Haagse Luchtbeschermingsdienst blijkt dat op dat moment geen enkele uitzondering meer werd geaccepteerd.
Ook al stond in de aankondiging dat anti-Duitse elementen uit de luchtbeschermingsdienst verwijderd moesten worden, uit latere correspondentie van de bezetter weten we evenwel dat het vooral te doen is geweest om Joden uit de Luchtbeschermingsdienst te verwijderen.

Presser schreef in zijn boek ‘De Ondergang’: ‘die andere categorieën zijn eenvoudig in de luchtbescherming gebleven, de Joden niet. Een duidelijke, doodgewone discriminatie van deze laatsten’.
Het was de eerste maatregel waarbij de Duitsers in Nederland onderscheid maakten tussen Joden en niet-Joden.

—————————-

Verder lezen

S.J.R. de Monchy, ‘De deuren van het paleis weer open. Anjerdag 1940, Den Haag’, in: E. Werkman (ed.), Ik neem het niet! Hoogtepunten uit het verzet 1940/1945 (Leiden 1965) pp. 29-33

J. Presser, Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945, (Den Haag 1985) dl. I, p. 18-22

L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog – Deel 4 – Mei ’40 – maart ’41 (1e band) p. 281-335; online publicatie

Corien Glaudemans, ‘Terugblik. De eerste grote anti-Duitse demonstratie in bezet Europa’, in: Den Haag Centraal (26-6-2015) p. 2