Joodse winkeliers in zeventiende- en achttiende-eeuws Den Haag

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail
Een Joodse verkoper met een hoge hoed op en een aantal kledingstukken over zijn arm staat voor zijn winkel in gedragen kleding (en andere zaken). Rechts van hem op een tafel liggen nog meer oude kleren. – ca. 1850, collectie Joods Historisch Museum

Een Joodse verkoper met een hoge hoed op en een aantal kledingstukken over zijn arm staat voor zijn winkel in gedragen kleding (en andere zaken). Rechts van hem op een tafel liggen nog meer oude kleren. – ca. 1850, collectie Joods Historisch Museum

De Joodse inwoners van Den Haag hadden in de zeventiende en achttiende eeuw meer mogelijkheden om toe te treden tot gilden dan in andere steden. In het Haagse centrum waren in de zeventiende en achttiende eeuw veel winkels met Joodse eigenaren te vinden. In het Jaarboek 2013 van de Geschiedkundige Vereniging Die Haghe verscheen van de bekende historica van de geschiedenis van Den Haag Thera Wijsenbeek-Olthuis (1946-2010) postuum het artikel ‘Winkels in Den Haag, 1575-1795’. In deze bijdrage besteedde zij uitgebreid aandacht aan de Joodse winkeliers en Joodse gildeleden in Den Haag. Deze webpagina is gebaseerd op dit en haar eerdere onderzoek.

Het Sint-Nicolaasgilde ofwel het kramersgilde

De leden van het Sint-Nicolaasgilde of kramersgilde verkochten in winkels of marktkramen goederen die door anderen waren gemaakt of geteeld. Voor de toetreding van dit gilde was geen meesterproef vereist, zoals bij andere gilden gebruikelijk was. De gildeleden genoten weinig aanzien. Drie soorten winkeliers behoorden tot dit gilde: verkopers van textiel, van levensmiddelen en van aardewerk.
Volgens een gildebrief van het Sint-Nicolaasgilde uit 1622 was het Joodse passanten toegestaan in Den Haag langs de huizen te gaan en hun waren aan de deur te verkopen, mits de totale waarde van deze producten minder dan zes gulden was. In 1720 werden twee Joodse marskramers in Den Haag gesignaleerd, de een verkocht brillen en de ander chocoladedrank.
Als enige stad in de Republiek mochten Joden in Den Haag lid worden van het Sint-Nicolaasgilde. Amsterdam verbood Joden al in 1636 om een winkel in de stad te hebben. In Den Haag was de situatie anders, hier verkreeg Aron Morijno in 1665 als eerste Jood het lidmaatschap van het Sint Nicolaasgilde. Hij had een winkeltje bij de Kikvorsbrug in de buurt van de Bierkade. In 1669 volgde David Moorin als het tweede Joods gildelid. Het gilde schreef hem in als Franse kramer. Franse kramers verkochten goederen, zoals stoffen, hoeden, handschoenen en waaiers, die in Frankrijk waren gemaakt en in de Republiek geïmporteerd. In 1675 werd Isack Penso tot het Sint-Nicolaasgilde toegelaten. Hij was handelaar in olie en zou later overstappen naar de handel in tabak.
Na deze drie Sefardische Joden volgden vele andere Joden, die vooral in kleine winkels goedkope stoffen verkochten. In 1676 werd de eerste Asjkenazische Jood in het gildeboek ingeschreven, namelijk Alissander Pollack (ook genaamd Alexander Pollack of Zuskind Pos). Hij verkocht katoen en zijden haarnetjes in zijn winkel op het Spui. Tobias Magnus verkreeg in 1677 het lidmaatschap van het Sint-Nicolaasgilde. Hij begon met de verkoop van katoenen stoffen in een winkeltje aan het Spui. Drie jaar later was hij overgestapt naar de tabakshandel en dreef een winkel in tabak aan de St. Jacobsstraat. Tussen 1690 en 1795 traden 186 (voornamelijk Asjkenazische) Joden met textielwinkels toe tot dit gilde.
In 1676 splitsten de kruideniers zich na geruzie af van het gilde en noemden hun nieuwe gilde het Kleine Sint-Nicolaas- of Kruideniersgilde. Ook de glas- en aardewerkverkopers sloten zich bij dit nieuwe gilde aan. Dit gilde kende weinig Joodse leden. Van de vele honderden Haagse kruideniers in de achttiende eeuw hadden er slechts vijftien een Joodse achtergrond.

Joodse tabaksverkopers in het Christallijnegilde

De glas- en aardwerkverkopers besloten in 1698 onder de naam Christallijnegilde een eigen gilde op te richten. De Haagse tabaksverkopers, die niet in een gilde waren vertegenwoordigd, sloten zich in 1712 bij dit gilde aan.
Amsterdam kende in de achttiende eeuw veel Joodse tabakshandelaren. Thera Wijsenbeek-Olthuis constateerde tijdens haar onderzoek dat in Den Haag slechts een gering aan tal Joodse tabaksverkopers kende. In 1742 werkten in Den Haag 26 tabaksverkopers van wie vijf Joodse. Tussen 1750 en 1800 liet het Christallijnegilde veertien Joodse winkeliers toe.

Achttiende eeuw – Sint Nicolaasgilde voor winkeliers in stoffen, garen en band

Vanaf het begin van de achttiende eeuw kende het Sint Nicolaasgilde nog uitsluitend leden die stoffen, garen en band voor kleding verkochten. In 1718 telde het gilde 370 leden. Veel Asjkenazische Joden woonden rondom de Nieuwe Kerk in Den Haag en hadden een winkeltje met weinig omzet en verkochten garen en band, of katoen. Maar er waren ook gefortuneerde geloofsgenoten tussen de gildeleden. De Joodse winkelier Alexander Levi verkocht kostbare stoffen. Tot zijn klantenkring behoorden niet alleen leden van de schatrijke Joodse familie Suasso, maar ook de niet-Joodse Haagse elite. In 1742 telde het Sint Nicolaasgilde zeker dertig Joodse winkeliers.
Ook het kleine borduurwerkersgilde verleende aan Joodse handelaren toelating. Tussen 1750 en 1796 werden er volgens de ledenlijst van het borduurwerkersgilde twaalf Joden toegelaten onder wie vier vrouwen: Roosie Jacobs, Betje Polak, Mietie de Jodin en Rachel Samuels.

Juweliers

Al in 1627 had de Joodse juwelier Hans de Joode op het Buitenhof een winkel. Hij was redelijk welvarend en leverde onder andere aan de edellieden van het Haagse hof.

Bankier en juwelenhandelaar Tobias Boas - – afgebeeld in I.B. van Creveld. De verdwenen Buurt. Drie eeuwen centrum van joods Den Haag (Den Haag 1989) p. 54

Bankier en juwelenhandelaar Tobias Boas –
– afgebeeld in I.B. van Creveld. De verdwenen Buurt. Drie eeuwen centrum van joods Den Haag (Den Haag 1989) p. 54

Beroemde juweliers in Den Haag waren Abraham Boas en zijn zoon Tobias. In 1716 wordt Abraham genoemd als handelaar in juwelen, goud, zilver en stoffen. Een deel van zijn woonhuis in de St. Jacobsstraat verhuurde hij als synagoge. Hier hielden de Asjkenazische Joden tot 1722 hun diensten. Zoon Tobias ontwikkelde zich tot een specialist in bancaire zaken en trad op als bankier aan het stadhouderlijk hof in Den Haag. Tegelijkertijd bleef hij ook koopman in edelstenen.
Van het goud- en zilversmidgilde mochten Joden geen lid worden, vader en zoon Boas waren dus kennelijk slecht actief in de handel van juwelen en edelmetalen. Tobias Boas gold als dé juwelen- en zilverspecialist van Den Haag. Bij alle aanzienlijke (ook niet-Joodse) Haagse families taxeerde hij de juwelen en het zilver voor de nalatenschap.

Het wijnverkopersgilde wil geen Joodse leden

Abraham Boas probeerde tevergeefs het lidmaatschap van het wijnverkopersgilde te verkrijgen. Hij wilde graag zelf zijn ingekochte wijnen verhandelen. Maar het gilde weigerde hem toe te laten. Toen Boas hierover zijn beklag deed bij het stadsbestuur, besloten de Haagse bestuurders op 8 augustus 1713 dat Boas eenmalig zijn ingekochte wijnen mocht verhandelen, maar geen lid mocht worden van het wijnverkopersgilde. De volgende dag nam het Haagse bestuur een voor Joodse handelslieden een zeer ingrijpend besluit, zij mochten nog enkel lid worden van het Sint-Nicolaasgilde of van het oudkleerkopersgilde.

Het oudkleerkopers- of Sint-Maartensgilde

Nieuwe Joodse leden van het oudkleerkopers- of St. Maartensgilde in 1750 - collectie Haags Gemeentearchief

Nieuwe Joodse leden van het oudkleerkopers- of St. Maartensgilde in 1750 – collectie Haags Gemeentearchief

Tot het oudkleerkopers- of Sint-Maartensgilde behoorden de winkeliers die tweedehands kleding en meubelen verkochten. Het bestuur van Den Haag bepaalde in 1713 dat ook Joden van dit gilde lid mocht worden. Net als de mogelijkheid voor Joden om lid te worden van Sint-Nicolaasgilde, was ook een lidmaatschap van het oudkleerkopersgilde voor Joden een unicum voor de Republiek.
Tussen 1713 en 1730 traden 33 Joden tot het oudkleerkopersgilde toe. De handel in tweedehands goederen moet in de tweede helft van de achttiende eeuw fors zijn toegenomen. Tussen 1751 en 1795 kreeg het gilde maar liefst 220 nieuwe leden, waaronder 38 Joden.

Chocoladewinkels

De Sefardische Joden dronken graag warme chocoladedrank. In de achttiende eeuw kende Den Haag twee chocoladewinkels in de buurt waar de Sefardim woonden rondom het Voorhout. Eén winkel was van de Joodse familie Talaris en de andere van Joodse Caljou uit Den Bosch in het Hofstraatje.

Boekhandelaren

Vermoedelijk waren in 1680 Zacharias Sijmons op de Voldersgracht en Abraham Arondeus boekhandelaren met een Joodse achtergrond. Het zou evenwel tot 1780 duren voordat de eerste Joodse boekhandelaar tot het Haagse boekhandelaarsgilde mocht toetreden.

Het einde van de achttiende eeuw – Den Haag loopt achter

Omstreeks 1780 was in veel Hollandse steden de situatie voor Joodse ingezetenen veranderd. In Amsterdam mochten Joden in goud en zilver handelen en in Rotterdam konden zij toetreden tot het kleermakersgilde, terwijl dit in Den Haag nog niet mogelijk was. Nog steeds was voor Haagse Joden alleen het Sint-Nicolaasgilde en het oudkleerkopersgilde opengesteld.
De nieuwe Staatsregeling van 1798 betekende het einde van het gildesysteem. In artikel 53 was bepaald: ‘Bij de aanneming der Staatsregeling, worden vervallen verklaard alle Gilden, Corporatiën of Broederschappen van Neeringen, Ambachten, of Fabrieken.
Ook heeft ieder Burger, in welke Plaats woonachtig, het regt zoodanige Fabriek of Trafiek op te rigten, of zoodanig eerlijk bedrijf aan te vangen als hij verkiezen zal.’
De oude gilden werden ontbonden. De Joodse inwoners van Den Haag konden nu ook een andere beroepskeuze maken.

Jaarboek 2013. Geschiedkundige Vereniging Die Haghe

Het verhaal van Thera Wijsenbeek-Olthuis over de Joodse winkeliers is na te lezen in haar publicatie ‘Winkels in Den Haag, 1575-1795’, in: Jaarboek 2013. Geschiedkundige Vereniging Die Haghe (Den Haag 2013) pp. 10-40.

Verder lezen
I.B. van Creveld, De verdwenen Buurt. Drie eeuwen centrum van joods Den Haag (Den Haag 1989) pp. 47-54.
Thera Wijsenbeek-Olthuis, ‘Joodse winkels in de zeventiende en achttiende eeuw’, in: 275 jaar Haagse snoge. Nieuw elan in eeuwenoud gebouw (Den Haag 2002) pp. 79-104.