3 juni 2026 – achtste Mr. Visserlezing door prof.dr. Jessica Roitman ‘Herinnering als verzet’

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Herinnering als Verzet

Joods leven tussen verleden en toekomst

L. E. Visserlezing 2026

Uitgesproken op 3 juni 2026

in het gebouw van de Hoge Raad der Nederlanden, Den Haag

door Dr. Jessica V. Roitman, hoogleraar Joodse Studies, Vrije Universiteit Amsterdam

I

Voorwoord

Dames en heren, ik sta hier vanmiddag met een gevoel van oprechte eer en dankbaarheid. De Visserlezing is een podium met gewicht — niet alleen vanwege de locatie, het huis van de Hoge Raad, de instelling waaraan Visser zijn leven had gegeven, maar vanwege wat de lezing vertegenwoordigt: de weigering om onrecht te vergeten.

Ik ben Amerikaans, inmiddels ook Nederlander. Ik spreek Nederlands met een onmiskenbaar Amerikaans accent — dat heeft u inmiddels gemerkt. Ik ben lid van de Liberaal Joodse Gemeente Den Haag, die dit jaar haar vijftigjarig bestaan viert — in een synagoge die driehonderd jaar geleden, in 1726, door de Haagse sefardische gemeenschap werd ingewijd. Vijftig jaar gemeente, driehonderd jaar Joods huis. Maar de Joodse gemeenschap van Den Haag is meer dan één gemeente. Samen — in al haar verscheidenheid — vormt zij iets bijzonders: een levende Joodse gemeenschap in deze stad, na alles wat er is gebeurd.

II

Een jongen uit Den Haag

Ik wil deze lezing beginnen met een jongen. Mozes Wolf Flinker, geboren op 2 oktober 1926, hier in Den Haag, op de Daendelsstraat 64 — tien minuten lopen van waar wij nu zitten. Hij was vroom en serieus; een van de weinige leerlingen van het Joods Lyceum die zijn middagpauze opofferde om Talmoed te studeren. Hij hield, toen de oorlog kwam, een dagboek bij. Ik zal vanmiddag telkens bij hem terugkeren, want in zijn woorden komt alles samen waarover ik wil spreken: herinnering, uitsluiting, en de vraag wat het betekent om als Jood te leven — niet alleen te zijn geweest, maar te zijn.

Mozes Wolf Flinker (1926–1945) met zijn zussen en broer, en het voormalig Joodsch Lyceum aan de Fischerstraat in Den Haag. Onderaan rechts: zijn registratiekaart, Den Haag, Daendelstraat 64. Foto’s: Haags Gemeentearchief en familiearchief.

En daar gaat het mij vanmiddag om: om herinnering. Niet herinnering als nostalgie, niet herinnering als plicht alleen — maar herinnering als daad van verzet. In de Joodse traditie is herinnering nooit louter terugblikken. Het is een morele en maatschappelijke keuze. En in tijden van toenemende uitsluiting en vooroordeel is die keuze urgenter dan ooit.

III

Zachor: herinneren als gebod

Het Hebreeuwse woord zachor — herinneren — komt 169 keer voor in de Thora. Niet als verzoek, maar als gebod. Herinneren is in de Joodse traditie geen vrijblijvende daad en geen sentiment; het is een mitswah, een religieuze en morele verplichting. En het gaat dieper dan het raadplegen van het verleden voor praktische wijsheid. Het gaat om het opnemen van het verleden in je eigen wezen, in je neshama — je ziel.

Links: zachor — herinneren. Rechts: ahor ve’kedem — achteruit en vooruit tegelijk.

Het beste voorbeeld is Pesach. Met Pesach herdenken we niet alleen de uittocht uit Egypte; elk van ons wordt geacht te voelen alsof wij zelf die slaven waren, alsof wij zelf door de woestijn trokken. Dat is geen historisch besef — dat is existentiële identificatie. We herdenken niet; we herleven. En er is een verwant Hebreeuws begrip: ahor ve’kedem — achteruit en vooruit tegelijk. In het Hebreeuws ligt de toekomst achter je en het verleden vóór je, want het verleden kun je zien, de toekomst niet. Herinnering is dus geen stilstaan. Het is oriëntatie: weten waar je vandaan komt, zodat je weet waar je naartoe gaat.

IV

Drie doden

Maar zachor is meer dan een persoonlijke daad. Het is ook een politieke daad. Want wie de herinnering van een volk vernietigt, vernietigt dat volk twee keer. Er is een oude gedachte — niet uniek Joods, maar diep verweven met onze gebeden voor de doden. De gedachte is deze: een mens sterft drie doden. De eerste is de dood van het lichaam. De tweede is wanneer het lichaam in de aarde wordt gelegd. En de derde, de definitieve dood, is het moment waarop de allerlaatste levende mens de naam van de overledene voor het laatst uitspreekt. Zachor zegt: die derde dood weigeren wij te laten plaatsvinden. Zolang wij hun namen zeggen, leven zij voort.

V

Geschiedenis en herinnering

En dat brengt mij bij een onderscheid dat vanmiddag cruciaal is: het onderscheid tussen geschiedenis en herinnering. Als historicus geloof ik in de kracht van de geschiedschrijving. Feiten tellen, bronnen tellen, de waarheid telt. Maar als Jodin weet ik ook dat geschiedenis en herinnering niet hetzelfde zijn — en dat beide nodig zijn. Geschiedenis vertelt ons wát er is gebeurd. Herinnering geeft ons terug wíe er heeft geleefd.

VI

Yizkor-boeken

Denk aan de yizkor-boeken. Het woord jizkor betekent ‘moge Hij gedenken’; het is het begin van het Joodse gebed voor de doden. Een yizkor-boek is een gedenkboek: een boek waarin een hele gemeenschap haar verdwenen leven optekent. De wortels van deze traditie reiken ver terug — al in de Middeleeuwen schreven Asjkenazische gemeenschappen hun zogenaamde Memorbücher, gedenkboeken met de namen van vermoorde Joden, die in de synagoge werden voorgelezen. Het oudste bewaarde exemplaar komt uit Neurenberg uit 1296, opgesteld na eeuwen van vervolging sinds de Eerste Kruistocht. Het moderne yizkor-boek — met namen, gezichten, recepten, grappen, straatnamen — ontstond in de twintigste eeuw, na de pogroms en vooral na de Shoah, en bouwde voort op die oude traditie. En wat staat erin? De slager op de hoek. De leraar die altijd te laat was. De eerste liefde. Geen academische geschiedschrijving, maar een daad van herinnering — een weigering om de doden te reduceren tot het feit van hun dood.

Voorbeelden van yizkor-boeken — gedenkboeken voor vernietigde Joodse gemeenschappen.

VII

Ringelblum en het Oneg Shabbat-archief

Niemand begreep dat beter dan Emanuel Ringelblum, een Joodse historicus in het getto van Warschau. Hij begreep iets cruciaals: de nazi’s wilden niet alleen mensen vernietigen, maar ook hun menselijkheid — niet hun bestaan als nummer, maar hun bestaan als mens: als buur, als collega, als kind dat naar school liep. En tegen die vernietiging, wist Ringelblum, was er één wapen dat de nazi’s niet konden afnemen: herinnering. Vastleggen. Opschrijven. Ervoor zorgen dat er, hoe het ook afliep, een spoor zou blijven van wie zij werkelijk waren geweest. Dat is herinnering als verzet — in zijn meest letterlijke vorm.

Ringelblum bracht in het getto een groep bijeen — academici, leraren, journalisten, kunstenaars — die zichzelf Oneg Shabbat noemde. Samen legden zij vast wat het leven wérkelijk was, onder de meest verschrikkelijke omstandigheden: de toneelstukken die men improviseerde, de school die men openhield, de grappen, de liefde. Niet alleen het sterven — ook het leven. Ze verzamelden 35.000 documenten en begroeven die in melkbussen en metalen dozen onder de grond. Hun woorden moesten overleven, ook als zij dat niet deden.

De melkbus en metalen doos waarin delen van het Oneg Shabbat-archief begraven werden. Rechts: Emanuel Ringelblum.

En dat deden zij ook niet. In maart 1944 werd Ringelblum, samen met zijn vrouw Yehudit, zijn zoon Uri, en de bijna veertig anderen die met hen ondergedoken zaten, ontdekt en doodgeschoten. Van de hele Oneg Shabbat-groep — tientallen mensen — overleefden er slechts drie. Maar die drie wisten waar het was begraven. Onder hun leiding werd in 1946 het eerste deel van het archief opgegraven; in 1950 het tweede. Het derde deel — verstopt in april 1943, één dag voor de opstand in het getto van Warschau begon — is nooit gevonden. Het ligt nog steeds ergens onder Warschau. Maar wat wel werd gevonden, spreekt nog steeds. Het is vandaag het belangrijkste getuigenis dat wij hebben van het leven in dat getto — geschreven door de Joden zelf. Hun verzet door te herinneren is geslaagd.

VIII

Stemmen uit Den Haag

Datzelfde verlangen om het leven vast te leggen vinden we ook in Den Haag. Dr. Gabriel Italie, leraar klassieke talen aan het Maerlant Lyceum, hield gedurende de hele oorlog een dagboek bij — in Den Haag, in Barneveld, in Westerbork, in Theresienstadt. Hij overleefde de oorlog samen met een deel van zijn gezin; één van zijn kinderen werd vermoord in de kampen. Hij stierf in 1956.

Dr. Gabriel Italie met zijn gezin. Rechts: de gepubliceerde uitgaven van zijn oorlogsdagboek (red. Wally M. de Lang) en het dagboek van Mozes Flinker (vert. rabbijn J. Soetendorp).

En onze Mozes Flinker deed, vanuit zijn onderduik in Brussel, voor zijn eigen ziel wat Ringelblum deed voor een gemeenschap: hij legde vast wat hij dacht, geloofde, vreesde en hoopte — niet om de geschiedenis te dienen, maar om mens te blijven. Eén zin uit dat dagboek zegt nu al alles. Deze jongen, geboren en getogen in Den Haag, beschreef zijn leven in Nederland niet als thuis. ‘Wel thuis,’ schreef hij, ‘maar toch in ballingschap.’ Voor Flinker was de ware ballingschap niet Brussel. Het was het leven buiten Erets Jisraël, het land dat hij nog nooit had gezien.

De Joodse gemeenschap van Den Haag hield haar eigen herinnering trouwens al eeuwenlang bij — in de pinkasregisters, de besluitenboeken van de parnassijns, waarvan de oudste uit de achttiende eeuw dateren en waarschijnlijk tot de oudste van Nederland behoren. De nazi’s namen die archieven mee; ze werden na de oorlog teruggevonden in Rusland, en kwamen terug naar Den Haag.

Pinkasregister (besluitenboek van de parnassijns, de bestuurders van de synagoge), 1723–1786. Haags Gemeentearchief, Archief NIG. Foto: Ardon Bar Hama.

De gemeenschap had haar eigen leven vastgelegd — en die vastlegging overleefde, ook toen veel van de mensen die schreven dat niet deden. En dat opschrijven is nooit gestopt: D. S. van Zuiden, Joel Cahen, Dick Houwaart, I.B. van Creveld, Corien Glaudemans en, rond het vijftigjarig bestaan van de LJG, Paul Wessels. Ook dat is zachor: een keten van mensen die weigeren te laten verdwijnen wat verdwenen had kunnen zijn.

IX

De feiten en hun omkering

Herinnering bewaart dus het leven. Maar wat de feiten betreft — de aantallen, de data, de mechaniek van de moord — daar is de geschiedschrijving voor. Geschiedenis en herinnering zijn niet hetzelfde, maar zij hebben elkaar in onze tijd dringend nodig: herinnering houdt de gezichten in leven, en geschiedenis houdt de waarheid hard. Want de omvang van de Shoah wordt betwist, geminimaliseerd, omgekeerd. En juist daarom is het werk van de historicus geen droge bezigheid maar een morele plicht.

Tijdens de Holocaust werden gemiddeld 3.000 Joden per dag vermoord, vijfeneenhalf jaar lang. Van de Joden in Nederland keerde 75 procent niet terug — het hoogste percentage van West-Europa. Dat zijn geen meningen. Dat zijn feiten, gedocumenteerd in archieven, in transportlijsten, in de Nederlandse bevolkingsadministratie zelf. Wie de Shoah écht kent — in zijn historische concreetheid — kan niet zomaar instemmen met de omkering ervan.

Hedendaagse demonstratiebeelden waarin Israël met de nazi’s wordt gelijkgesteld — de omkering van de geschiedenis waarover deze paragraaf spreekt.

En die omkering bestaat. Sommigen zeggen dat de Holocaust nooit heeft plaatsgevonden; anderen dat hij overdreven is. Maar de versie die ik het gevaarlijkst vind, is deze: dat hij heeft plaatsgevonden, maar dat de Joden (of, in ieder geval, Israël) nu zelf de nieuwe nazi’s zijn. Dat is geen analyse. Het is een omkering van de geschiedenis — en het is precies waartegen Ringelblum zijn archief aanlegde, en waartegen zachor ons wapent. Maar wie spreekt die leugen nog tegen, als de levende gemeenschap zelf verdwijnt?

X

Den Haag in steen

Die vraag is niet abstract. Stel haar in deze stad, en de cijfers worden pijnlijk concreet. In 1940 woonden in Den Haag meer dan 17.000 Joodse Hagenaars — de op één na grootste Joodse gemeenschap van Nederland. Bijna tachtig procent van hen werd vermoord. Die cijfers zijn bekend. Maar wie waren zij? Ze zijn nog aanwezig in de stenen van deze stad. Op het Plein staat De Haagsche Kluis, een art-nouveau bankierspand uit 1900 van de Joodse familie Edersheim; achter in de tuin staat nog altijd een verborgen huissynagoge met beschilderd plafond. Het gebouw is nu een restaurant. De synagoge is er nog. Maar de familie Edersheim werd uit elkaar gerukt. Sommigen stierven door vergiftiging, mogelijk door eigen hand, uit wanhoop. Anderen werden gedeporteerd en keerden nooit terug. Van een familie die generaties lang deel uitmaakte van deze stad, bleef weinig over, een enkele nazaat, een gebouw, een verborgen synagoge, en een grafsteen.

Plein 20, het huis van de familie Edersheim. Midden: de verborgen huissynagoge. Rechts: de grafsteen van Bernard en Willem Henri Edersheim, Joodse begraafplaats Moscowa, Arnhem. Foto rechts: Simcha Looijen.

Die gemeenschap was geen aparte wereld; ze was volledig verweven met de stad — advocaten, artsen, handelaren, leraren, raadsleden. Tot ze er niet meer mochten komen. En dat ging langzaam, zo langzaam dat het normaal begon te lijken. Al snel verschenen in Den Haag bordjes ‘Voor Joden verboden‘ bij cafés, zwembaden, musea, bioscopen en bibliotheken. Het Scheveningse strand werd verboden gebied. In april 1941 werd brand gesticht in de synagoge aan de Wagenstraat en ging bijna in vlammen op. En er kwam zelfs een zitverbod voor Joden op openbare banken — niet alleen het park was verboden, ook de bankjes om op uit te rusten. In juli 1942 bepaalde de NSB-burgemeester dat Joden niet meer op het Plein mochten komen: de Edersheims werden verbannen van de stoep voor het gebouw dat hun eigen familie had laten bouwen.

NSB-burgemeester Harmen Westra was sinds juli 1942 burgemeester van Den Haag. Direct na zijn aantreden nam hij talloze anti-Joodse maatregelen. Rechts: de bordjes ‘Verboden voor Joden’ bij de duinen en ‘Voor Joden verboden’ uitgegeven door de procureur-generaal. Collectie Haags Gemeentearchief.

Elke maatregel leek op zichzelf te verdragen. Geen zwembad — vervelend, maar er was het strand. Dan het strand niet meer — maar de zomer was toch bijna voorbij. Zo gaat uitsluiting: niet in één klap, maar in een opeenstapeling van maatregelen die elk te klein lijken om je ertegen te verzetten, tot het geheel onverdraaglijk is geworden, en te laat. En wij hoeven dit niet alleen van buitenaf te beschrijven, want Mozes Flinker heeft het zelf opgeschreven:

Twee maanden voor de vakantie moesten wij bij de politie onze fietsen inleveren. Sindsdien ging ik met de tram naar school. Maar een of twee dagen voor het eind van het schooljaar mochten wij ook niet meer met de tram. Toen moest ik te voet naar school, een wandeling van anderhalf uur. Toch bleef ik ook de laatste dagen te voet gaan om mijn rapport te halen en te weten of ik wel of niet was overgegaan. Ik dacht toen nog dat ik na de vakantie weer gewoon naar school zou gaan, maar daar kwam niets van.

— Mozes Flinker, dagboek, 24 november 1942

Een jongen die anderhalf uur loopt om zijn rapportcijfers op te halen, ervan overtuigd dat hij na de zomer gewoon weer naar school zou gaan. Die wandeling voerde door het hart van Joods Den Haag — langs De Haagsche Kluis, langs de plek waar nu het Rabbijn Maarsenplein ligt, langs de Grote Synagoge aan de Wagenstraat, door De Buurt die nu Chinatown is. Zo ervoer hij de uitsluiting: niet als iets historisch maar als een schooljaar dat ophield. Later, schreef hij, moesten zij ‘een teken van smaad op de borst dragen — een davidster, zo groot als een hand, met in Hollandse letters: Jood.’

XI

Het Rabbijn Maarsenplein

Op het Rabbijn Maarsenplein staat een monument dat dit alles verbeeldt: een stenen deur die op een kier staat, met daarin een Davidster en een vers uit de Bijbel: ‘Gedenk wat Amalek u heeft aangedaan … vergeet het niet.’ Door het kunstlicht dat door de deur schijnt denk je dat er een opening is. Maar die is er niet. Zachor, letterlijk in steen gebeiteld, ter nagedachtenis aan de vermoorde Joden van deze stad.

Links: het Joods Monument op het Rabbijn Maarsenplein — een stenen deur op een kier, met een Davidster en het Amalek-vers. Rechts: het Joods Kindermonument — lege stoelen voor de 1.700 vermoorde Joodse kinderen van Den Haag.

Ik sta even stil bij die naam, Amalek, want het laat zien hoe levend — en hoe omstreden — herinnering kan zijn. Dezelfde verzen die hier de vermoorde Joden gedenken, zijn na 7 oktober 2023 wereldwijd geciteerd én misbruikt, en zelfs aangevoerd in een rechtszaal in deze stad, een paar honderd meter hiervandaan. Een Bijbeltekst over herinnering werd zo zelf een strijdtoneel. Dat is geen toeval: het laat zien dat herinnering nooit neutraal is, en nooit af. Wat wij gedenken, en hoe, blijft een inzet — toen en nu.

En dan zijn er de stoelen: een monument voor de 1.700 Joodse kinderen uit Den Haag die werden vermoord. Lege stoelen, lege plaatsen aan de tafel. Elk een naam. Elk een toekomst die niet werd. Dit zijn geen monumenten voor de dood alleen — het zijn sporen van een leven dat volledig verweven was met deze stad, en dat stap voor stap werd uitgewist, terwijl de stad toekeek.

XII

De Verdwenen Buurt en de levende Jood

Dat uitwissen én dat bewaren komen samen in de documentaire De Verdwenen Buurt van Danny Akker, over de vooroorlogse Joodse volksbuurt tussen het Spui en de Wagenstraat. De film draait om een maquette die Jacques de Leeuwe — een Joodse Hagenaar wiens ouders in Sobibor werden vermoord — zeven jaar lang met zijn handen bouwde, omdat hij niet in woorden kon zeggen wat hij had verloren. Die maquette staat nu in het stadhuis. Akker vatte het zo samen: zolang we blijven vertellen en herbouwen wat verloren ging, is niemand écht verdwenen.

Beelden uit Danny Akkers documentaire De Verdwenen Buurt (2026). Onder: Louis de Leeuwe, zoon van Jacques de Leeuwe, bij de maquette van Joods Den Haag gemaakt door zijn vader, nu opgesteld in het stadhuis aan het Spui.

Het is een mooi en waar woord. Maar het roept ook een vraag op. We investeren veel in het bewaren van de stenen — de monumenten, de maquettes, de wandelroutes. We investeren minder in het bewaren van de mensen. Hoeveel Joden wonen er eigenlijk nog in Den Haag? We hebben geen betrouwbare cijfers. De gemeenschap is er nog, maar klein. En de lege stoelen op het Rabbijn Maarsenplein stellen ons niet alleen de vraag: wie waren zij? Maar ook: wie zijn wij nu, en hoe gaan we om met de levende Joden die er nóg zijn?

Want we zijn goed in het herdenken van dode Joden. We zijn minder goed in het verdedigen van levende Joden.

XIII

Het Joods Museum van Praag

Neem het Joods Museum van Praag, met een van de grootste collecties Joodse rituele voorwerpen ter wereld: meer dan 140.000 objecten, door de nazi’s systematisch verzameld uit synagogen die ze tegelijkertijd vernietigden. Aan dat museum kleeft een verhaal: dat de nazi’s een ‘museum van een uitgestorven ras’ wilden inrichten — een museum over de Joden, te openen nadat de Joden zouden zijn uitgeroeid. Het museum zelf behandelt dit verhaal voorzichtig; sluitend bewijs ontbreekt. Maar de logica is pijnlijk bekend: dode Joden als curiositeit, als erfgoed — te bewonderen, te bestuderen, tentoon te stellen, en die je verder niet lastigvallen. De dode Jood is veilig. De levende Jood is ingewikkeld.

Links: het Joods Museum in Praag. Rechts: het Offenbach Archival Depot — de naoorlogse verzamelplaats voor door de nazi’s geroofde Joodse boeken en cultuurgoederen.

XIV

Aanpassing redt niet

En denk niet dat aanpassing daartegen beschermt. Rabbijn Jacob Soetendorp, die het dagboek van Flinker uit het Hebreeuws vertaalde, schreef in zijn voorwoord dat de Joden van Nederland in overgrote meerderheid de uiterlijke kenmerken van integratie droegen. Zij spraken onder elkaar de taal van het land. Zij kleedden zich als de omgeving. Zij waren bezig, juist in de jaren dat de familie Flinker naar Nederland kwam, alles wat hen onderscheidde af te leggen — om op te gaan in de Nederlandse cultuur en deel uit te maken van het Nederlandse weefsel.

Eén van de kleurrijke draden in het Nederlandse weefsel. Volledig opgegaan in de omgeving. En toch — het maakte niet uit. Toen het erop aankwam, werden zij eruit getrokken, draad voor draad. Hoezeer een Jood zich ook aanpast, hoe vloeiend het Nederlands, hoe diep de wortels: in tijden van crisis blijft de Jood de ander. En de pijnlijkste vorm van dat anders-zijn is niet de openlijke haat. Het is het moment waarop de mensen die je kennen, die naast je werkten, besluiten je niet meer te kennen.

XV

Lodewijk Visser

Niemand belichaamt dat scherper dan de man naar wie deze lezing is vernoemd. Lodewijk Ernst Visser was de eerste Joodse president van de Hoge Raad — de instelling waarin wij vanmiddag bijeen zijn — een geassimileerde Nederlandse Jood die diep geloofde in de instituties waaraan hij zijn leven had gewijd. In november 1940 werd hij geschorst, in maart 1941 ontslagen, enkel omdat hij Joods was. Zijn collega’s, de hoogste rechters van het land, protesteerden niet. Zij bleven. Maar Visser zelf boog niet. Hij weigerde zijn persoonsbewijs omdat het met een ‘J’ was gestempeld. En toen zijn synagoge met hakenkruisen werd beklad, liep hij de volgende sjabbat demonstratief naar de dienst — met hoge hoed, gebedsmantel en gebedenboek onder de arm, op klaarlichte dag. En vanuit zijn huis schreef hij brief na brief — aan ministers, aan instituties, aan iedereen die nog enig moreel gezag bezat — tegen de uitsluiting van Joodse Nederlanders, in de taal van het recht waaraan hij zijn leven had gewijd. Dat is verzet in één beeld: een man die weigert zich kleiner te maken.

Mr. dr. Lodewijk Ernst Visser (1871–1942), president van de Hoge Raad. Rechts: zijn grafsteen op de Joodse begraafplaats Wassenaarseweg.

Toen de nazi’s hem dreigden met deportatie als hij niet zou stoppen met zijn protesten, schreef Visser op 14 februari 1942 terug dat hij niet zou stoppen. Drie dagen later stierf hij aan een hersenbloeding. Maar de echte uitsluiting was niet het ontslag van een man, en niet eens zijn dood. Het was dat zijn collega’s — de hoogste rechters van het land — als college hadden besloten niet te protesteren tegen zijn schorsing, niet tegen zijn ontslag, niet tegen wat hun eigen president was aangedaan. Zij namen, in de woorden van Marjan Schwegman, afstand van hun Joodse president. Dat gebeurde hier — in de instelling waarvan hij president was.

XVI

Het patroon van vandaag

Dat patroon — de stille afwezigheid van wie beter zou moeten weten — is niet verdwenen in 1945. Het manifesteert zich zelden als openlijke haat; dat zou makkelijker te bestrijden zijn. Het manifesteert zich anders. Als de collega die zijn ogen neerslaat, als de vriend die niet belt, als de instelling die zwijgt wanneer Joodse studenten worden buitengesloten. Ik spreek hier uit eigen ervaring. Dit is het Nederland van 2026. Dit is de stad van Visser.

En het is, opnieuw, Mozes Flinker die het patroon al had doorzien. Hij noteerde de woorden van een Duitse functionaris die verklaarde dat de Joden de vijanden van Europa waren, dat zij de volkeren wilden onderdrukken, en dat men hen daarom ‘uit zelfbescherming’ moest verwijderen. De Jood als bedreiging voor de hele wereld; de Jood die, waar hij ook gaat, de schuld krijgt. En op 26 januari 1943, een tiener in onderduik, schreef hij iets profetisch:

Het gif dat tegen de joden is gebruikt gaat verder en verder. Het zal na de oorlog niet beperkt blijven tot de grenzen van de overwonnenen … Zullen zij niet een zondebok nodig hebben voor de eindeloze crises van de naoorlogse periode? En wie is meer geschikt voor die rol dan de jood, het ongelukkige en weerloze volk?

— Mozes Flinker, dagboek, 26 januari 1943

Flinkers profetie van 26 januari 1943, naast hedendaagse antisemitische beeldcultuur op sociale media — de zondebokfunctie die hij voorzag.

Een jongen van zestien die voorzag dat het antisemitisme de oorlog zou overleven en zich zou verspreiden, en dat de Jood opnieuw de zondebok zou worden voor elke crisis. En herinnert u zich wat Soetendorp schreef — dat de Joden van Nederland alles hadden afgelegd wat hen apart maakte, hun taal, hun kleding, hun gewoontes — en dat het niet hielp? Want luister naar de vraag die er werkelijk onder ligt: ‘bent u wel het juiste soort Jood?’ Door de eeuwen heen heeft die vraag altijd dezelfde, onmogelijke voorwaarden gehad. Pas je aan — maar niet zó goed dat je onze plaatsen inneemt. Werk hard — maar word niet te rijk. Wees loyaal — maar alleen aan ons land. Woon onder ons — maar niet in te grote getale, niet in onze wijken, niet te lang. Wees Joods — maar niet té Joods.

Het is een vraag die geen antwoord heeft, want geen enkel antwoord is ooit goed genoeg geweest. Aanpassing redt niet. Het was nooit het probleem dat Joden zich niet genoeg aanpasten. Het probleem was dat zij Joden waren.

En vandaag is er een nieuwe versie van diezelfde vraag bijgekomen. Mozes Flinker droomde, in alle openheid, van Erets Jisraël — voor hem geen provocatie, maar hoop: het verlangen naar een plek waar een Jood geen ander hoefde te zijn. Vandaag is juist die hoop voor velen een verwijt geworden, iets wat je beter niet kunt uitspreken als je erbij wilt horen. Steun de Joodse staat — maar niet hardop. Wees verbonden met je volk — maar niet zó verbonden dat het ons stoort. Dat is, in onze tijd, de nieuwste vorm van de oude vraag. En het antwoord is opnieuw: nooit genoeg.

En herinnering als verzet vraagt ook iets van wie luistert, van wie ernaast blijft staan. Want het gevaarlijkste zijn niet degenen die de deur dichtgooien — het zijn degenen die toekijken en niets zeggen. Dat was de les van de Hoge Raad in 1941. En het is de les van vandaag.

XVII

Een bekentenis

En ik moet eerlijk zijn — ook over mezelf. Komen, hier vanmiddag spreken: dat stond voor mij nooit ter discussie. Maar ik heb deze lezing tot het laatste moment niet aangekondigd. Niet op sociale media. Niet in de nieuwsbrief van mijn universiteit. Ik heb de meeste mensen er niet eens over verteld. Uit angst voor protest. Ik, die u net vroeg om te luisteren en ernaast te blijven staan, dacht er even aan mezelf maar te verstoppen. En dus sta ik nu hier — en spreek hardop.

XVIII

Wat Flinker hoopte

Maar ik wil niet eindigen bij wat Flinker vreesde, maar bij wat hij hoopte. Want te midden van een wereld die hem afwees, zag hij in een Joods thuis geen politiek programma maar een levensader. En — dit ontroert mij telkens weer — hij begon Arabisch te leren, zodat hij later beter zou kunnen spreken met de kinderen van het land waar hij naartoe wilde. Op 8 december 1942 schreef hij:

Ik denk dat het voor mij het beste zou zijn om politicus te worden … Niet zomaar een staatsman, maar een joods staatsman in Palestina — Erets Jisraël.

— Mozes Flinker, dagboek, 8 december 1942

En in maart 1943 zag hij het land voor zich, zo levendig dat het lijkt of hij er al liep:

Ik zie het land voor mijn ogen. Ik zie de kustlijn, Tel Aviv, Jaffa en Haifa. In het midden van het land zie ik Jeruzalem en dichtbij verheft zich de Olijfberg … ik zie de Jordaan, van de Libanon tot aan de Dode Zee zie ik hem stromen.

— Mozes Flinker, dagboek, maart 1943

Een kaart van Erets Jisraël uit de jaren 1940 — het land dat Mozes Flinker in zijn dagboek beschreef, maar nooit zou zien.

Hij heeft dat land nooit gezien. Op 7 april 1944 werd de familie verraden; Mozes en zijn ouders werden naar Auschwitz gedeporteerd. Volgens latere overlevering stierf hij rond 21 april 1945, kort na de bevrijding van het kamp waar hij gevangen zat, te zwak om nog te herstellen. De Stolperstein die voor zijn ouderlijk huis in Brussel ligt vermeldt echter januari 1945, Bergen-Belsen — dat is waarschijnlijk de meest accurate datering. Hij was achttien jaar oud. Het Israël van zijn droom werd pas drie jaar na zijn dood gesticht. Zijn zussen vonden het dagboek in de kelder van het huis in Brussel; in 1973 werd het uitgegeven door rabbijn Jacob Soetendorp. Een Haagse jongen. Zijn woorden zijn er nog. Zijn droom leeft.

De Stolperstein voor het huis waarin de familie Flinker in Brussel ondergedoken zat. Volgens deze recente officiële bron werd Mozes — ‘Moshe’ — vermoord in januari 1945 in Bergen-Belsen.

Op 19 januari 1943 schreef hij iets wat ik niet kan loslaten: ‘Iedere jongen of meisje die aan de Duitsers ontsnapt, is een stuk redding voor ons volk, een stuk geredde toekomst.’

XIX

Een stuk geredde toekomst

Een stuk geredde toekomst. En als ik die woorden lees, zie ik mijn zoon, Darius Roitman. Levend. Architect in opleiding. Opgegroeid in Nederland, Joods, en ja — hij heeft Israël gezien, het land dat Mozes alleen in zijn dagboek kon zien. En zoals Mozes droomde van een joods staatsman, zo zit mijn zoon vandaag in het bestuur van StiP, Studenten Techniek in de Politiek, in Delft — ook hij denkt na over hoe je de wereld vormgeeft. De toekomst die Mozes niet kreeg. Een stuk geredde toekomst.

Darius Roitman, kandidaat van StiP (Studenten Techniek in de Politiek), Delft 2025. Rechts: het StiP-bestuur voor het Stadhuis op de Markt in Delft.

XX

Slot: zachor

Driehonderd jaar geleden bouwden Joden in deze stad hun eigen huis. Driehonderd jaar van Joodse aanwezigheid — orthodox, liberaal, sefardisch, in al haar verscheidenheid. Driehonderd jaar — in dezelfde stad waar tachtig procent van de Joden werd vermoord, in dezelfde stad waar Mozes Flinker naar school liep. Die gemeenschap is er nog: niet ondanks de geschiedenis, maar door de herinnering die haar in leven hield. Herinnering zonder levende gemeenschap is een monument. Een levende gemeenschap zonder herinnering heeft geen wortels. Maar samen zijn zij het antwoord op alles wat men heeft geprobeerd te vernietigen.

De synagoge aan de Prinsessegracht in Den Haag — driehonderd jaar geleden, in 1726, ingewijd door de Haagse sefardische gemeenschap, en sinds 1976 het huis van de Liberaal Joodse Gemeente Den Haag.

Zo’n gemeenschap bestaat alleen omdat mensen, generatie na generatie, de bewuste keuze maken om Joods te blijven en door te geven wat hun was doorgegeven. Collectieve herinnering is geen erfelijk gegeven; het is een werkelijkheid die bewust in stand wordt gehouden. Het vraagt inspanning. Het vraagt moed. En het vraagt dat de samenleving die keuze respecteert en beschermt — niet alleen in monumenten en herdenkingen, maar in het dagelijks leven, op de werkvloer, op de campus, in de straat. De moed om niet weg te kijken, zoals de Hoge Raad in 1941 wegkeek.

In de allereerste plaats kan ik met volmaakte zekerheid zeggen dat ik jood ben.

— Mozes Flinker, dagboek, 1943

Dat was zijn waarheid, en niemand kon die van hem afnemen — ook al namen ze al het andere.

Hij heeft het Erets Jisraël van zijn dagboek nooit gezien. Maar de toekomst die hij in onderduik beschreef, loopt vandaag rond — niet alleen in mijn zoon, maar in de duizenden andere Joodse jongvolwassenen in Nederland, en de miljoenen in de wereld, die studeren, werken, beminnen, dromen, weigeren te verdwijnen.

Joods leven in 2026: een Chanoeka, een jongere bij de Westelijke Muur, een ouderejaars Bouwkunde in Delft, een Joodse jeugdvereniging, en de Joodse studentenvereniging IJAR.

Mozes Flinker heeft geleefd. En Darius Roitman leeft.

Zachor. Wij herinneren. Wij zijn er nog.

Am Yisrael Chai

—————————————————————————————————————————————————-

De mr. L. E. Visserlezing 2026 werd op 3 juni 2026 uitgesproken in het gebouw van de Hoge Raad der Nederlanden te Den Haag, op uitnodiging van de Stichting Joods Erfgoed Den Haag, ter herinnering aan mr. dr. L. E. Visser (1871–1942), eerste Joodse president van de Hoge Raad.
Tekst en beelden © Jessica V. Roitman 2026, behoudens de afzonderlijk vermelde rechthebbenden op de gebruikte historische foto’s (Haags Gemeentearchief, Joods Erfgoed Den Haag, Joods Historisch Museum, familiearchieven). Alle rechten voorbehouden.