De familie D’Ancona in Den Haag (ca. 1800-1943)

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Inleiding
Aan het begin van de negentiende eeuw kwam David d’Ancona naar Den Haag. In de daaropvolgende 100 jaar speelde de familie D’Ancona een belangrijke rol in de Sefardische gemeente in Den Haag.

Sefardische Joden in Den Haag
Na Amsterdam had Den Haag voor de Tweede Wereldoorlog de grootste populatie Joden in Nederland. Rond 1625 vestigden eerst Sefardische Joden afkomstig uit Spanje en Portugal zich in Den Haag, in de tweede helft van de zeventiende eeuw gevolgd door Asjkenazische Joden afkomstig uit Duitsland en Oost-Europa. Velen Sefardische Joden vonden een woning in de betere buurten bij Binnenhof en het Voorhout. Sinds 1726 hadden zij een fraaie synagoge aan de Prinsessegracht.
De Hoogduitse Joden woonden tot ca. 1900 in de Joodse buurt rond de Nieuwe Kerk, het Spui en de Wagenstraat.

Portugese synagoge aan de Prinsessegracht –
collectie Haags Gemeentearchief

De eerste Haagse D’Ancona
De familienaam zegt het al: afkomstig uit Ancona. De Sefardische familie D’Ancona heeft waarschijnlijk in het getto van Ancona gewoond. Omdat in het getto van Venetië de regels minder streng waren dan die in Ancona is het aannemelijk dat de familie om die reden in de zeventiende eeuw naar het Venetiaanse getto is verhuisd.
Jacob Gerson d’Ancona (ca. 1697-1770) verliet Venetië en kwam samen met Esther Moresco (ca. 1710-1765) in de achttiende eeuw naar Amsterdam.
Hun zoon Jacob (ca. 1734-1798) ging studeren aan de universiteit in Leiden en werd arts in Amsterdam. Ook de kleinzoon van het Venetiaanse echtpaar D’Ancona-Moresco studeerde medicijnen in Leiden. Deze dr. Jacob d’Ancona is op 10 november 1758 in Amsterdam geboren en overleden op 20 oktober 1839. Zijn echtgenote Eva (Han, Chana, Johebet, Jochebet) van Baruch Lopes de Leao Laguna, dochter van Baruch Lopes de Leao Laguna en Sara Furtado, is in 1775 in Amsterdam geboren. De schoonvader van dr. Jacob d’Ancona, Salomon Orobio Furtado, was geboren in Lissabon en omstreeks 1750 vanuit Portugal naar Den Haag gekomen.
Eva verhuisde na de dood van haar man Jacob d’Ancona naar Den Haag. Daar overleed zij op 19 augustus 1852. Zij ligt begraven op de Joodse begraafplaats in Scheveningen aan de overzijde van het Vredespaleis, naast haar moeder Sara Furtado.
Waarschijnlijk was Eva naar Den Haag gekomen om het gezin van haar overleden zoon David Haim bij te staan.

Graf van van Eva d’Ancona en haar moeder Sara Furtado op de Joodse begraafplaats aan de Scheveningseweg
– foto Corien Glaudemans

Commissionair, latere koopman en ten slotte kantoorbediende David Haim d’Ancona is de eerste D’Ancona die zich in Den Haag vestigde. Hij is op 2 juli 1809 geboren in Amsterdam. Zijn vader Jacob was toen al 51. Waarschijnlijk is hij omstreeks 1838 naar het Bleijenburg in het centrum van Den Haag verhuist. Hij was in 1834 met de Asjekenazische Lea David Nahar gehuwd. Helaas was dit huwelijk maar van korte duur, omdat David Haim al op jonge leeftijd op 22 oktober 1843 kwam te overlijden. Als doodsoorzaak is een ‘bloedspuwing’ opgetekend, mogelijk leed hij aan TBC. Na zijn dood moest Lea de kost verdienen als naaister.
Het Portugees armbestuur plaatste hun drie jonge kinderen als half-wezen in het nieuwe Joods weeshuis aan de Stille Veerkade 20. Dit weeshuis was kort voordien speciaal opgericht voor de opvang van Joodse weeskinderen na een grote cholera-epidemie.
Jacob was de oudste en ongeveer vijf jaar oud toen hij in het weeshuis werd opgenomen, David was toen vier jaar oud en zusje Eva net één jaar. In het weeshuis leerden de jongens een beroep.

Jacob ontwikkelde zich van huisschilder tot kunstschilder, David werd onderwijzer op de Israëlietische Kostelooze school in Den Haag.
Eva trouwde met Jacob Chaim Lopes Cardozo en stichtte in Amsterdam een gezin.

Voormalig Joods weeshuis aan de Stille Veerkade 20 –
collectie Haags Gemeentearchief

Lea d’Ancona-Nahar kreeg na het overlijden van haar echtgenoot David d’Ancona in 1843 – en vóór haar huwelijk met Meijer Wolff in 1875 – ongehuwd op 45-jarige leeftijd nog een kind: Abraham Nahar. Hij is geboren op 2 maart 1855 in Haarlem, Lea was in de periode van de geboorte van haar zoon ook ingeschreven in het bevolkingsregister van Den Haag. Mogelijk verbleef zij alleen ten tijde van de bevalling in Haarlem. Abraham Nahar is slechts veertien jaar oud geworden. Hij overleed te Den Haag op 21 januari 1869.

David d’Ancona – godsdienstonderwijzer
David d’Ancona, de zoon van David Haim en Lea Nahar, is in Den Haag geboren op 23 december 1839. In het Joodse weeshuis heeft hij een stevige opleiding genoten. David was zeventien jaar oud, toen hij in 1856 als kwekeling kon beginnen bij de Joodse school aan de Voldersgracht in Den Haag om het vak van godsdienstonderwijzer te leren. De Joodse school werd twee jaar later een school waar alleen op zondagochtend en buiten de schooltijden godsdienstonderwijs werd gegeven. Joodse kinderen kregen van David D’Ancona les in Hebreeuws lezen en schrijven, vertalen van gebeden en de tora, geschiedenis, betekenis van de feest- en de vastendagen, geboden en verboden. Ook in de Scheveningse gevangenis gaf hij godsdienstles.

Aanstelling van David D’Ancona als gosdienstleraar in de Scheveningse gevangenis – Haagsche Courant, 30 december 1887

 

Huldiging van David d’Ancona op 3 januari 1886 toen hij 25 jaar als hulponderwijzer verbonden was aan de Israëlietische Kostelooze School in Den Haag –
uit: Israëliet. Wekelijksch orgaan gewijd aan de bevordering van joodsche belangen (8 januari 1886)

 

Gedurende honderd jaar waren leden van de familie D’Ancona beheerder van het Portugese gedeelte van de Joodse begraafplaats aan de Scheveningseweg. David D’Ancona was de eerste. Met alleen het lesgeven en het beheer van de begraafplaats kon David D’Ancona onvoldoende de kost verdienen. Extra inkomen vond hij in zijn werk als handelsreiziger. Tot ca. 1865 was hij woonachtig aan de Maliestraat 12 in Den Haag.
In 1888 kreeg David D’Ancona een bestuursfunctie in de vereniging ‘Hoeder Israëls’. Deze vereniging stelde zich tot doel zieke kinderen van versterkend voedsel te voorzien en bij hun overlijden de ouders assistentie te verlenen.

Zijn echtgenote Sara Oeb Brandon vond David D’Ancona in Amsterdam. Zij was daar op 31 mei 1833 geboren. Vanaf ca. 1885 woonde het gezin D’Ancona in de beheerderswoning aan de Scheveningseweg 19a (huidige nummering, de adressen aan de Scheveningseweg zijn omgenummerd).

David en Sara kregen in Den Haag zeven kinderen: Lea, Ribkah, Hava Ribca, Rachel, Ester, David Salomo en Jozef Jakob:

    • Lea is geboren op 18 september 1863. Zij is in 1918 opgenomen in de psychiatrische inrichting Oud-Rosenburg in Loosduinen. Zestien jaar later, op 15 juni 1934, is zij ongehuwd in Den Haag overleden
    • Ribkah (Ribcah) is geboren op 28 oktober 1865 en overleden op 13 augustus 1866. Zij was toen tien maanden oud.
    • Hava Ribca (Eva) is geboren op 1 juli 1867 en overleden op 14 maart 1895.

Overlijden Hava Ribca (Eva) D’Ancona -Haagsche Courant, 15 maart 1895

    • Rachel is geboren op 16 juli 1869. Rachel trouwde in 1899 met Elias Sealtiel, de koster van de Portugese synagoge in Den Haag. Na zijn overlijden in 1917 is zij hertrouwd met Jacob Levie Meuleman. Zij is in 1935 in Rotterdam overleden.
    • Ester is geboren op 4 juli 1872. Zij was onderwijzeres. Ook Ester is jong overleden op 29 maart 1891. Zij was pas achttien jaar.

Overlijden Ester D’Ancona –
Het Vaderland, 1 april 1891

 

    • David Salomo is geboren op 17 augustus 1874 (zie hieronder verder).
    • Jozef Jakob is geboren op 19 juni 1877 en overleden op 14 september 1877. Hij was pas twee maanden oud.

Op 4 september 1912 was het groot feest. David en Sara vierden toen hun vijftigjarige bruiloft in restaurant Keijl in de Wagenstraat.

David en Sara D’Ancona waren in 1912 vijftig jaar getrouwd. Dat werd groot gevierd in restaurant Keijl in de Wagenstraat –
NIW, 30 augustus 1912

David overleed op 8 september 1913 en Sara op 28 januari 1919. Samen liggen zij begraven op de Joodse begraafplaats aan de Scheveningseweg.

Hedy d’Ancona bezoekt het
graf van haar overgrootouders David d’Ancona en Sara Oeb Brandon op de Joodse begraafplaats aan de Scheveningseweg –
foto redactie Verborgen Verleden

David Salomo d’Ancona en Anna Frank – beheer van de Portugese begraafplaats
David Salomo d’Ancona is geboren in Den Haag op 17 augustus 1874. Hij was voorzanger in de Portugese Gemeente, van 1905 tot 1940 godsdienstonderwijzer op de Joodse school, gevangenisbezoeker en beheerder Joodse begraafplaats aan de Scheveningseweg. Bij zowel de Asjkenazische gemeente als de Portugese gemeente was hij als godsdienstonderwijzer in dienst
Op 18 januari 1905 huwde hij met de Asjkenazisch Joodse Anna Frank, geboren in Hilversum op 8 juli 1876, dochter van Abraham Frank en Marianne Content.

Het gezin D’Ancona-Frank omstreeks 1930
vlnr Elias, Abraham, vader David Salomo, moeder Anna, Joseph en David Abraham –
foto familie D’Ancona, redactie Verborgen Verleden

David Salomo en Anna d’Ancona-Frank kregen vier kinderen:

1. David Abraham (Davy), geboren op 26 februari 1906 in Den Haag, Hij huwde op 11 april 1934 Rebekka Rabinowitsch, geboren 6 januari 1910 in Zürich. Samen hadden zij een groothandel in herenkleding. De echtelieden waren vooral gespecialiseerd in de verkoop van stropdassen. Davy en Rebekka kregen in Den Haag drie kinderen. Op 23 november 1935 werd hun zoon David Izak geboren. Daarna volgden Mirjam op 4 mei 1938 en Leon op 17 september 1940.

NB David Abraham was de helft van een tweeling. Om half vier ’s morgens op 26 februari 1906 werd een ‘levenloos’ jongetje geboren; een half uur later kwam David Abraham ter wereld. Het eerste kindje kan geleefd hebben. Volgens de Wet op de Lijkbezorging werd een kind dat binnen 24 uur overleed ook aangegeven als ‘levenloos’. Vader David Salomo heeft zowel de geboorte als het overlijden zelf aangegeven. Beide akten werden op de geboortedag opgemaakt.

2. Abraham, geboren op 7 maart 1907 in Den Haag. Hij vertrok in 1928 naar Almelo om daar een opleiding voor Palestina te gaan doen. In Almelo had de religieus-zionistische beweging Dath Waarets aan de Grotestraat een kibboets gesticht om Nederlandse en Duitse jongeren op te leiden voor een toekomst in Palestina. De jongeren, ‘Palestina-pioniers’, werkten bij boeren in de omgeving van Almelo. Abraham slaagde erin in 1931 de vereiste papieren te krijgen om naar Palestina te emigreren. In zijn nieuw land ging hij aan de slag  als landbouwer. Daar trouwde hij in 1935 met Setti Kahn (geboren op 29 maart 1904 in Nordheim vor der Rhön in Zuid-Duitsland). Hun dochter Hana Ester is op 5 april 1939 in Petach Tikwa geboren. In 1942 zijn Abraham en Setti d’Ancona-Kahn officieel inwoners van Mandaatgebied Palestina geworden.

Bericht over het vertrek van Abraham d’Ancona naar Palestina –
uit: Tikvath-Israel = De hoop van Israël. Maandelijksch tijdschrift voor de joodsche jeugd, jrg 12 nr. 8 (1931)

Naturalisatiebewijs Mandaatgebied Palestina voor Abraham d’Ancona en Setti d’Ancona-Kahn in 1941-
Israel State Archives

3. Elias d’Ancona, geboren op 24 oktober 1908 in Den Haag. Hij studeerde economie. De idealistische Elias had een relatie met Maaike Opmeer, waaruit Hedy (Hedwig) d’Ancona is geboren. In 1939 huwde Elias met Jeanne de Leeuw, samen kregen zij op 12 mei 1940 in Den Haag een dochtertje Annette Estella.

4. Joseph, geboren op 29 augustus 1911 in Den Haag. Hij volgde een opleiding tot rabbijn in Amsterdam aan het Portugees-Israëlitisch Seminarium Ets Haim. In 1941 kreeg hij in Amsterdam een aanstelling als rabbijn. Joseph huwde in 1941 met Josine (Sientje) Vredenburg, geboren op 22 december 1912 te Amsterdam.

David Salomo d’Ancona woonde met zijn vrouw en vier zonen in de Portugese beheerderswoning uit 1768 aan de Scheveningseweg 19a bij de Joodse begraafplaats. Dit woonhuis is nog altijd te zien naast de ingang van de begraafplaats.

Beheerderswoning, woonhuis van de familie D’Ancona aan de Scheveningseweg 19a bij de ingang van de Joodse begraafplaats – Verborgen Verleden

Godsdienstonderwijzer David Salomo was geen begenadigde leraar en stond bekendheid om zijn voorliefde voor alcoholische dranken. Hij kon slecht orde houden en kennelijk waren zijn lessen niet erg inspirerend. Leerlingen van hem vertelden na de oorlog, dat zij in zijn klas natte propjes tegen de kachel schoten. Als strafwerk had hij de jongens honderd strafregels opgegeven: ‘Je mag van de meester niet aan de kachel komen’. De overlevering wil dat D’Ancona die regelmatig te diep in het glaasje keek, zonder iets te zeggen de strafregels in ontvangst nam. De 100 strafregels droegen de nieuwe tekst: ‘de meester mag niet kachel op school komen’.

Tot het pastorale werk van de rabbijnen behoorde ook het contact met gevangenen in de Scheveningse gevangenis. Het is niet waarschijnlijk dat de Haagse opperrabbijn Isaac Maarsen aan het begin van de vorige eeuw zelf de gevangenis bezocht, we weten wel dat David Salomo daarmee was belast. De Joodse gevangenen vonden hem te streng in de leer. De rabbijn ontving verschillende klachten. Hartog Sluys schreef dat D’Ancona hem had verboden christelijke lectuur te lezen en naar christelijke koren te luisteren. Waarschijnlijk was opperrabbijn Maarsen het met de houding van David Salomo eens. Beiden wisten maar al te goed hoe actief de protestantse zending onder de Joden in Den Haag was.

Het lot van Joodse gevangenen trok David Salomo zeer aan. Hij bepleitte verbetering van de reclassering. Niet alleen zware misdadigers kwamen in de gevangenis terecht. Ook mensen die slechts een een klein vergrijp hadden gepleegd werden veroordeeld en vastgezet. Zij moesten zeker steun en bijstand krijgen.

David Salomo D’Ancona bepleitte de verbetering van de reclassering van Joodse gevangenen –
Centraal Blad voor Israëlieten, 17 januari 1919

In 1921 hield David Salomo D’Ancona een lezing over de verbetering van de reclassering voor ontslagen Joodse gevangen –
Haagsche courant 16 februari 1921

De belangrijkste taak van David Salomo was het beheer van de Portugese begraafplaats. Hij was verantwoordelijk voor het delven van de graven. Verder moest hij het terrein onderhouden en zorgen dat het register van de graven voorhanden was.
Het onderhoud van de grafstenen hoorde niet tot de reguliere taak van de beheerder. Families betaalden hem privé een jaarlijks bedrag voor het onderhoud. Aan het begin van de twintigste eeuw waren er op de begraafplaats ca. 10.000 graven, waarvan er 2860 voorzien waren van een grafsteen. Voor het onderhoud van de graven op de Joodse begraafplaats werd in 1907 een speciale stichting opgericht. Van deze stichting konden families tegen een gering bedrag lid worden. De stichting betaalde vervolgens aan David Salomo een bedrag voor het onderhoud van een grafsteen.

Na het vertrek Barend Koekoek, die van 1883 tot 1925 beheerder was geweest van het Asjkenazische deel van de begraafplaats, werd David Salomo beheerder van de Asjkenazische en Portugese graven. Bovendien maakte hij voor ƒ3,60 per stuk grafstenen schoon. Na zijn pensionering in 1940 als onderwijzer, bleef hij werkzaam als beheerder van de begraafplaats. En dat bleef hij doen tot in de oorlog.

De Tweede Wereldoorlog
Het gezin D’Ancona is zwaar getroffen door de Tweede Wereldoorlog en de vervolging van de Joden door de Duitse bezetter.

De oudste zoon Davy (David) Abraham d’Ancona had samen met zijn Zwitserse echtgenote in 1939 een groothandel in stropdassen. Vanaf april 1939 moest Davy in militaire dienst. Na zijn ontslag uit dienst is hij in 1939 met de dassenhandel verder gegaan. Met zijn echtgenote keerde hij voor een korte periode terug naar het woonhuis van zijn ouders aan de Scheveningseweg 19a. Daarna verhuisde hij in Den Haag naar de Maasstraat 224. Nadat de bezetter de ‘Verordening tot verwijdering van joden uit het bedrijfsleven’ uitvaardigde is hij gestopt met de stropdassenhandel.
Toen de deportaties een aanvang namen is Davy met zijn vrouw Rebekka en de kinderen uit Nederland gevlucht. Davy werd gearresteerd in Antwerpen en is vanuit daar gedeporteerd naar Auschwitz, waar hij op 31 augustus 1942 is vermoord. Zijn vrouw Rebekka en hun kinderen slaagden erin eind oktober 1942 Zwitserland te bereiken en hebben daar de oorlog overleefd. Rebekka is in 1985 in Toronto overleden.

Elias d’Ancona huwde in 1939 Jeanne de Leeuw, samen kregen zij – twee dagen na het uitbreken van de oorlog – op 12 mei 1940 in Den Haag een dochtertje Annette Estella. Jeanne d’Ancona-de Leeuw en Annette Estella zijn op 17 september 1942 vermoord in Auschwitz. Ook Elias overleefde de oorlog niet. Hij is op 7 februari 1945 vermoord in het concentratiekamp Gross-Rosen (Rogoźnica in Polen). Zijn dochter Hedy overleefde de oorlog bij haar niet-Joodse moeder en werd een bekende Nederlandse politica. Hedy d’Ancona was voor de Partij van de Arbeid lid van de Eerste Kamer en lid van het Europees Parlement. Van 1989-1994 was zij minister voor Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.

Joseph werd in 1941 in Amsterdam aangesteld tot rabbijn. Op 8 september 1943 is in het kamp Westerbork zijn zoon Joël Joseph geboren. Het gezin werd gedeporteerd naar het concentratiekamp Bergen-Belsen. Daar overleed Joseph op 22 februari 1945. Joël Joseph overleed op 6 maart 1944 in dit concentratiekamp. Hij was toen vijf maanden oud. Zijn echtgenote Josine heeft de oorlog overleefd en overleed op 4 januari 2000 in Jerusalem.

Timorstraat met de muur van de Joodse begraafplaats. Op de achtergrond het Vredespaleis. Anna d’Ancona-Frank werd in 1943 in de Timorstraat gearresteerd –
foto Corien Glaudemans

De arrestatie van David Salomo d’Ancona en Anna d’Ancona-Frank
Ook David Salomo d’Ancona en zijn vrouw Anna Frank ontkwamen niet aan de vervolgingen door de Duitse bezetter. Omdat David Salomo beheerder van de Joodse begraafplaats was, had hij een Sperre van de Joodse Raad gekregen, wat uitstel van deportatie betekende. Voor het echtpaar betekende dit uitstel tot 1943.

David Salomo en Anna zijn beiden in 1943 gearresteerd. Uit getuigenverklaringen van na de Tweede Wereldoorlog weten we ook waarom ze zijn gearresteerd. Anna d’Ancona was begin 1943 naar buiten gelopen naar de Timorstraat aan de achterzijde van de Joodse begraafplaats in Scheveningen. Ze was vergeten een jas met een jodenster aan te trekken. In de Timorstraat liep ze de beruchte politierechercheur Arie van Nieuwenhuizen van de Documentatiedienst tegen het lijf. De Documentatiedienst was een afdeling van de Haagse politie die collaboreerde met de Duitse bezetter en berucht was vanwege de vervolging van ondergedoken Joden en de bestrijding van het verzet. Het hoofdkwartier van de Documentatiedienst was pal achter het woonhuis van de familie D’Ancona en de Joodse begraafplaats gevestigd.

In 1947 verklaarde Van Nieuwenhuizen wat hij zich wist te herinneren over de arrestatie van Anna en David Salomo:
‘Op 8 februari 1943 bevond ik mij in de Timorstraat ter hoogte van de Scheveningseweg alhier. Aldaar zag ik een vrouw, die mij voorkwam een jodin te zijn. Ik hield haar staande en bij controlering van haar persoonsbewijs bleek mij dit juist te zijn. Aangezien zij echter geen zogenaamde jodenster droeg, heb ik mij telefonisch in verbinding gesteld met de documentatiedienst, hoe in dit geval te handelen. Vandaaruit werd mij medegedeeld, deze vrouw te arresteren.’
Daarna is hij naar de woning aan de Scheveningseweg 19a gegaan en vond daar ‘een levensmiddelenkaart, die zij niet op rechtmatige wijze had verkregen’.
David Salomo heeft toen verteld dat hij deze kaart voor de som van ƒ45,- had gekocht van zijn buurman Adrianus Valkenburgh van Scheveningseweg 19. Ook Valkenburgh is toen gearresteerd. Hij verklaarde na de oorlog hoe hardhandig de arrestatie van David Salomo en Anna was verlopen: ‘Bij mijn arrestatie heb ik gezien, dat de rechercheur die ik van de foto herken en door u van Nieuwenhuizen genoemd wordt, bovengenoemde joden, zowel de man als de vrouw een klap in hun gezicht gaf en hun hierop op een ruwe wijze hun woning uit stompte.’
Ook Van Valkenburgh werd gearresteerd en naar concentratiekamp Vught gedeporteerd. Daar is hij drie maanden later vrijgelaten.

De Portugezenlijst
David Salomo en zijn vrouw Anna werden gedeporteerd naar Westerbork. Daar zijn pogingen in het werk gesteld om beiden vrij te krijgen. Hun zoon Joseph was inmiddels rabbijn bij de Portugees-Joodse Gemeente in Amsterdam. Hij heeft zeker inspanningen gepleegd voor de vrijlating van zijn ouders.
Op de Joodse Raad-kaart van David Salomo staat vermeld dat hij Portugees-Joodse voorouders heeft. Er is duidelijk geprobeerd om hem en zijn vrouw op de zogenaamde Portugezenlijst te krijgen. Door middel van uitgebreid stamboom- en wetenschappelijk onderzoek probeerden Portugese Joden in Nederland aan te tonen dat zij tot het mediterrane ras behoorden en gelieerd waren aan oudchristelijke families. Hun Joodse identiteit zou enkel op religie zijn gebaseerd. Daarnaast werd de nadruk gelegd op het feit dat hun kringen veel artsen, kunstenaars en filosofen hadden voortgebracht. Professionals met uitzonderlijke kwaliteiten die ook in niet-Joodse kringen werden gewaardeerd.
Met deze zogenaamde ‘Aktie Portugesia’ probeerden Portugese Joden uit alle macht aan deportatie te ontkomen en een tijd lang leek de Duitse bezetter gevoelig voor de argumenten.
Van de groep Portugese Joden op de lijsten ging daarom maar een gering aantal in de onderduik met fatale gevolgen. Uiteindelijk werd van Duitse zijde begin februari 1944 besloten dat de Portugezen wel degelijk Joden waren, en zo belandde de grote meerderheid alsnog in vernietigingskampen, waar bijna allen zijn vermoord.

Ook is geprobeerd David Salomo en Anna d’Ancona-Frank op de ‘van Dam lijst’ te krijgen. Deze lijst was opgesteld door de nationaalsocialistische hoogleraar Duits Jan van Dam. Deze lijst bevatte namen van prominente Joden die werden beschouwd als ‘verdienstelijk Joods Nederlander’ of die de juiste contacten hadden en zo vrijgesteld werden van transport. Maar voor David Salomo en Anna brachten noch de Portugezenlijst, noch de Van Dam-lijst uitkomst, omdat hij en zijn echtgenote werden aangemerkt als ’S-Fall’ (strafgeval) en daarom op hun deportatie geen uitzondering werd gemaakt.

Op 23 februari 1943 kwamen David Salomo d’Ancona en zijn vrouw Anna d’Ancona-Frank aan in Westerbork en werden op 2 maart 1943 op transport te worden gezet naar Sobibor waar ze bij aankomst zijn vermoord.

Na de oorlog keerden geen van de leden van de familie D’Ancona terug naar Den Haag.

De beruchte jodenjager Arie van Nieuwenhuizen heeft na de oorlog geprobeerd aan zijn straf te ontkomen en onder te duiken. Hij is in 1947 gearresteerd en in 1950 veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf.

 

Met dank aan Sjoukje Atema

 

Bronnen:

Uitzending Verborgen Verleden over de voorouders van Hedy d’Ancona op 12 maart 2022

Delpher, de krantenwebsite van de Koninklijke Bibliotheek

Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, verhoor Arie van Nieuwenhuizen

Joods Digitaal Monument

Arolsen Archives – International Center on Nazi Persecution

Israel State Archives, informatie over Abraham en Setti Kahn

Haags Gemeentearchief, bevolkingsregister

NIOD, collectie Omnia, toegangsnummer 94f

I.B. van Creveld, Kille-Zorg. Drie eeuwen sociale geschiedenis van joods Den Haag (Den Haag 1997)

I.B. van Creveld, De Verdwenen Buurt. Drie eeuwen centrum van joods Den Haag (Den Haag 1989)

Stichting tot instandhouding van de Joodse begraafplaats te ’s-Gravenhage www.joodsebegraafplaats.nl

https://www.joodserfgoeddenhaag.nl/joodse-begraafplaats/