Herdenking 4 mei 2026 Rabbijn Maarsenplein – Toespraken Mariëlle Vavier en Lotte van Basten Batenburg

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Toespraak door Mariëlle Vavier, wethouder gemeente Den Haag, bij de herdenking bij het Joods monument op 4 mei 2026

Geachte aanwezigen,

Het waren mensen zoals u en ik. Vrouwen, mannen, pasgeboren kinderen en hoogbejaarden. Arbeiders, ondernemers, marktkooplieden, musici, kunstenaars. Allemaal kostbare individuen. Mensen zoals u en ik. Maar dan in een andere tijd. Een gruwelijke, moorddadige periode.

Ruim 12.000 Joodse inwoners van onze stad werden vermoord tijdens de Tweede Wereldoorlog. De eens zo bloeiende Joodse gemeenschap van Den Haag, de grootste na die van Amsterdam, werd vrijwel volledig vernietigd. Hier, op deze plek, klopte ooit het hart van de Joodse buurt: arm, maar vol leven. Na 1945 was daarvan nauwelijks iets over. Ook elders in Den Haag, waaronder Scheveningen, werden de meeste Joodse inwoners weggevoerd om nooit meer terug te keren.

Het blijft bitter en beschamend dat het veelal Haagse politiemannen waren die hen van huis hebben opgehaald. En dat de gemeente meewerkte aan het verwijderen van Joodse leerlingen van scholen en het ontslag van Joodse ambtenaren.

De gruwelijkheden van het Derde Rijk tonen waartoe de uitholling van de rechtsstaat kan leiden – ook wanneer dat geleidelijk gebeurt. Democratie moet altijd actief worden beschermd. Die boodschap is actueler dan ooit, met de wereldwijde opkomst van populistische en antidemocratische bewegingen, en de schrikbarende toename van antisemitisme, óók in Nederland.

Ook in Den Haag voelen Joodse inwoners opnieuw dreiging. Vorig jaar werden de bloemen die hier waren neergelegd, vernield. De daders zijn veroordeeld, maar de pijn blijft en toont hoe waakzaam wij moeten zijn.

Daarom stelde de gemeenteraad een plan vast om antisemitisme te bestrijden en het Joodse leven en de Joodse cultuur in onze stad te versterken. Het onderwijs speelt daarin een grote rol. De website Eén stad, vele verhalen ondersteunt docenten, en er is een lespakket ontwikkeld over sociale uitsluiting, gebaseerd op de documentaire over de verdwenen Joodse buurt.

Een belangrijke partner in dit geheel is de Stichting Joods Erfgoed Den Haag. Als organisator van deze herdenking en als hoeder van het Joodse erfgoed in onze stad draagt de stichting al jarenlang bij aan kennis, bewustwording en educatie.

Begin vorig jaar bezocht ik met Haagse scholieren en imam Shamier Madhar Auschwitz. Hoewel ik veel had gelezen over de Holocaust, raakte het bezoek mij dieper dan verwacht. Birkenau, met zijn immense omvang, ademt nog altijd de industriële efficiëntie van de vernietiging. Bij de ruïnes van de gaskamers en op de Rampe, het perron, besef je ten volle welke onvoorstelbare misdaad hier heeft plaatsgevonden.

Bezoeken van jongeren aan Auschwitz en andere kampen zijn heel belangrijk. Hoe verder de oorlog van ons af komt te liggen, hoe moeilijker het wordt om nieuwe generaties de omvang van deze gruwelen te laten begrijpen. Toch is het cruciaal dat het verhaal van de Holocaust blijft worden verteld.

De filosoof John Dewey benadrukte het belang van goed onderwijs voor een gezonde democratie. Op school leren jonge mensen onafhankelijk en kritisch denken. Daar begint het veiligstellen van een vreedzame toekomst.

Of zoals Maria Montessori zei: “Het afwenden van oorlog is het werk van politici; het vestigen van vrede is het werk van opvoeders.”

Den Haag zal daar steeds aan blijven werken.

 

Toespraak door Lotte van Basten Batenburg, fractievoorzitter van de VVD in de gemeenteraad van Den Haag bij de herdenking bij het Joods monument op 4 mei 2026

Vandaag herdenken we onze doden. Hier bij het Joods monument staan we stil bij de Joodse slachtoffers uit onze stad.

14.000 Joodse Hagenaars werden gedeporteerd. Meer dan 12.000 Joodse Hagenaars werden vermoord. Onder hen meer dan 2.000 kinderen. Dit zijn getallen die hier ieder jaar worden genoemd. Waarvan je bloed stolt, of dat zou moeten doen. Maar het zijn maar getallen. Getallen hebben geen verhaal, geen gezicht en geen familie. Cijfers zijn anoniem. Ze maken minder menselijk.

Niet voor niets werden mensen in concentratiekampen precies dat: cijfers.

De mensen, de verhalen en de gebeurtenissen moesten worden uitgewist.

Wat zeggen deze getallen uit een ver verleden Haagse kinderen die nu opgroeien? Staan wij als volwassenen daadwerkelijk stil bij de mensen over wie het gaat?

Daarom zijn lessen op scholen met nabestaanden zo belangrijk. Echte mensen die vertellen over hun eigen familie.

En daarom zijn ook Stolpersteine zo waardevol. Zij geven een naam, een geboortedatum en een sterfdatum. Maar ook een plek, een markering van een leven dat was, en is weggenomen.

Bij mij om de hoek liggen Stolpersteine voor de familie Van Gelder. Abraham Nathan van Gelder, zijn vrouw Betje van Gelder-Hamburger, hun dochter Hanna Wilhelmina van Gelder en haar oom Alexander Hamburger. Allen vermoord in Auschwitz tussen oktober en december 1942. Ook de andere broer en zussen van de Hamburgers overleefden de oorlog niet. 1 korte zoektocht leidt naar twee gezinnen, die zijn uitgewist.

Mensen die werkten, naar school gingen, leefden. Totdat ze werden weggevoerd.

Ik denk aan hen.

Ik denk ook aan Isaac Maarsen, naamgever van dit plein.
Hij werd op 27 februari 1892 in Amsterdam geboren. In 1925 werd hij opperrabbijn van Den Haag. Hij stond bekend als begenadigd spreker.
Hij werd gedeporteerd op 22 april 1943. Eerst naar Vught, toen Westerbork. En werd 23 juli vermoord in Sobibor. Zijn vrouw, zijn drie dochters en zijn zes broers en zussen werden ook vergast.

Met Rabbijn Maarsen en zijn gezin werden ruim 34.000 andere Joodse Nederlanders vermoord in Sobibor.
Ik bezocht het kamp vorig jaar. Stond stil bij de gedenkstenen langs het pad naar de gedenkplaats. Het is een adembenemende plek, al is het niet op een goede manier.

In het gloednieuwe museum van Sobibor ligt een emaille bordje in een vitrine met een sticker erop: S. Mock-Hakker, Den Haag, 18-9-1883.
Ik ben naar haar op zoek gegaan. Sara Mock-Hakker uit Den Haag. Volgens de registratiekaart die te zien is in het Arolsen archief woonde ze aan de Huygensstraat 15, met haar echtgenoot Maurits Mock, een koopman. Ze gingen vanuit Westerbork op transport naar Sobibor op 2 maart, 1943.
Het bordje moet met hen meegereisd zijn. Vanaf de Huygensstraat, naar Westerbork. Daarna door naar het oosten, diep in het huidige Polen, op kilometers van Oekraïne en Wit-Rusland. “Naar een werkkamp”, werd gezegd.

Maar Sara en Maurits werden bij aankomst, op 5 maart, direct vermoord.
Sara’s bordje, met sticker, werd ruim 70 jaar later gevonden in het struikgewas op de plek waar het kamp ooit stond.
Het is een klein wonder. Na de opstand in Sobibor probeerden de Duitsers elk spoor van het kamp uit te wissen. Het bordje van Sara maakt dat we kunnen voorkomen dat zij vergeten wordt.

Ik wil hen herinneren, ook al ken ik hen niet. De mensen die de nazi’s wilden uitwissen.

We gedenken vandaag de doden. Maar is dat genoeg?
Juist de mensen in de kampen vroegen ons niet zomaar om hen te herinneren. Maar om te herinneren wat hen is aangedaan.

Op de muur van het museum van Sobibor, bij de uitgang, staat een quote van Aleksander Pechersky, de leider van de opstand in Sobibor. “Those of you who survive should bear witness to this. Let the world know what happened here.”
Deze oproep resoneert in het monument voor u. “Gedenk wat Amalek u gedaan heeft… vergeet het niet.”

Deze oproep wordt niet voor niets gedaan.

Anat Ratzabi, de kunstenares die het monument maakte, begreep dit.
“Het is belangrijk en ook een enorme verantwoordelijkheid om de herinnering van hen die niet terug zijn gekeerd levend te houden, maar ook om de eeuwige impact van de Holocaust duidelijk te maken aan de mensen van vandaag en morgen.” Zei zij.

Doen we dit? Houden we de herinnering echt levend?

De herinnering aan de mensen én aan de enorme omvang van de misdaden. De herinnering dat het een bewust ontworpen en geperfectioneerd systeem van vernietiging door arbeid, uithongering en vergassing was, gericht tegen precies gedefinieerde groepen. De herinnering aan hoe elk radartje in de bureaucratie ook in Nederland meewerkte om deze vernietiging mogelijk te maken. En de herinnering aan hoe vanaf 1941 al informatie bekend was dat er op grote schaal gerichte vernietiging plaatsvond. Maar dat er niets tegen werd gedaan.

Houden we deze herinneringen echt levend?

De vergelijkingen die heden ten dage worden gemaakt met de Holocaust doen anders vermoeden.

Om daadwerkelijk te herdenken, moeten we ons ook verhouden tot het verleden.

Ik ben politicus en ambtenaar. Twee rollen in publieke dienst. In dienst van het algemeen belang.
Geregeld vraag ik me af: Waarom veerde de ambtenarij mee met de stapsgewijze onderdrukking en vernietiging van Joden? Waarom bleven ook in Nederland alle radartjes meedraaien met het vernietigingssysteem?

Toen de regering De Geer het land ontvluchtte op 13 mei 1940, gaf het de secretarissen generaal de opdracht aan te blijven. Hun instructies stonden in de zogenaamde “Aanwijzingen”, een tot dat moment geheim document, dat onder het voorgaande kabinet Colijn was opgesteld.
Wat waren die instructies? Een citaat:
‘De reden dat ambtenaren in functie blijven, is deze, dat dit in het belang is van de bevolking; het nadeel, dat zij daardoor mede het belang van de bezetter dienen, is in het algemeen geringer dan het grotere nadeel, dat voor de bevolking zou voortvloeien uit het niet meer functioneren van het eigen bestuursapparaat.“

Het algemeen belang van hun bevolking dienen.

In het najaar van 1940 kregen de secretarissen-generaal het bevel om Joodse ambtenaren niet meer de bevorderen, en twee maanden later om hen te ontslaan.
Zij deden het.

Dienden zij het algemeen belang hiermee?
De verwachting dat ook Nederlandse Joden zouden worden gedeporteerd, staat in maart 1942 vermeld in de notulen van het overleg van de hoogste ambtenaren. Zij verzetten zich niet, of nauwelijks.

Het is makkelijk om nu te oordelen dat hun handelen niet ethisch was. Om te verwijten, zwaktes aan te wijzen.

Moeilijker is echt de vraag te stellen: waarom handelden zij zo? Waar ligt de grens van het algemeen belang? En hoe zou ik hebben gehandeld in hun plaats?
Voor mij is het een belangrijke reden om boeken te lezen en historische beelden te kijken. Om kampen te bezoeken. Ik moet weten, zien en doorgronden.

Vorige week verliet een Joodse kennis van me Den Haag en Nederland. Hij is vertrokken naar Israël. Hij vertelde het me bij de Chanoeka viering in het stadhuis.‘Ik voel me niet meer thuis. Ik zie hier geen toekomst meer.’

Zijn vertrek is ons falen.
En legt ook onze opgave bloot.

Als een Joodse Hagenaar geen toekomst meer ziet als Jood in Den Haag, moeten we ons dat aantrekken. Moeten we ons afvragen wat het is dat dit doet ontstaan. En moeten we als politiek en ambtenarij handelen.

Anat Ratzabi zei: “De identiteit van onze samenleving verandert en ik herken de absolute noodzaak een nieuwe generatie te bereiken en het historische bewustzijn over wat kan gebeuren levend te houden.”

Dit was ruim tien jaar geleden.

De noodzaak is sindsdien ernstig toegenomen.

Vorig jaar werden hier bij dit monument en het kindermonument meer dan eens bloemen vernietigd.  Door heel Europa en ook in Nederland hebben we brandstichtingen, aanvallen gezien op Joodse instellingen en op Joodse mensen.
Bij protesten, bezettingen van gebouwen en in graffiti worden Joden dood gewenst en vernielingen gepleegd. Overal horen we verwerpelijke teksten. Het gaat bijna altijd ongestraft. Want: geen capaciteit, te licht om straf op te leggen, of de dader was niet te achterhalen.
Het leidt ertoe dat er een sfeer is ontstaan waarin Joodse stadgenoten zich niet prettig, niet veilig voelen om zichzelf te zijn.

Deze realiteit toont onze opgave. Toont aan dat we moeten blijven strijden. En dat we moeten blijven herdenken.

“Opdat we niet vergeten.”

En, ik zou toevoegen, opdat we het huidige tij keren.

————————
Foto’s Stichting Joods Erfgoed Den Haag