Mr. L.E. Visserlezing 2018 – inleiding en rede

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

Inleiding mr. L.E. Visserlezing 5 juni 2018door Mr. M.W.C. Feteris, president van de Hoge Raad der Nederlanden

Dames en heren,

Graag heet ik u hier welkom in het gebouw van de Hoge Raad voor de vierde editie van de mr Visserlezing. Een toepasselijker locatie laat zich eigenlijk niet denken: de lezing wordt gehouden in onze grote zittingszaal die als eerbetoon is vernoemd naar onze vroegere president Lodewijk Ernst Visser. Een laat, erg laat en ook meer dan terecht eerbetoon. Het zorgt er ook voor dat wij en onze opvolgers, of breder gezegd: toekomstige generaties, blijven stilstaan bij het grote onrecht dat hier is geschied, en zich zullen afvragen wat je kunt doen om zoiets tegen te gaan.

In dit huis wordt op nog meer plaatsen eer betoond aan Visser. Zo is er een mooi, levensecht geschilderd portret van hem in onze galerij van portretten van oud presidenten. Die portretten kunnen in dit gebouw allemaal bij elkaar geplaatst worden, zodat het ook echt een galerij is geworden. Ook hebben wij een extra portret van hem dat hangt op de kamer van de president. Zo kijk ik hem vrijwel dagelijks in de ogen. En voor dit gebouw is een prachtig schilderij gemaakt door Helen Verhoeven, in de ruimte voor de ingang van deze zaal heeft u het al kunnen zien. Het schilderij verbeeldt een tafel met zittende rechters, omgeven door massa’s mensen, de samenleving. Die rechters zijn niet goed als individuen herkenbaar, op de voorzitter na. Die is meteen herkenbaar als Visser, identiek aan het schilderij in onze portrettengalerij. Hij is daarmee de centrale figuur in dit schilderij.

De lezing van vandaag gaat ook over Lodewijk Visser. Hij was een briljant en gezaghebbend jurist. Hoewel collegiale besluitvorming essentieel is bij de hoogste rechter, schijnt een van zijn collega’s gezegd te hebben dat als Visser alle arresten van de HR alleen zou hebben geschreven, de kwaliteit ervan zeker niet minder zou zijn geweest. In het kader van efficiency wordt er in Nederland tegenwoordig steeds vaker recht gesproken door alleenzittende rechters. Maar bij de HR is daarvan nog steeds geen sprake als het om inhoudelijke beslissingen gaat. Terecht, want de problematiek waarmee wij anno 2018 worden geconfronteerd is zo complex en veelzijdig dat het voor zelfs voor de HR als college met tientallen rechters vaak een hele opgave is om alle aspecten en consequenties van een beslissing te overzien. Lovende woorden vielen Visser ook ten deel bij de viering van zijn 25-jarig lidmaatschap van de Hoge Raad. Toen werd het volgende tegen hem gezegd door een naaste collega: “Er hebben bij uw geboorte goede feeën om uw wieg gestaan (…) ze hebben U geschonken gaven die u als het ware voorbestemden “un grand magistrat” te worden. Want gij hebt gekregen: een superieur verstand, en doordringende scherpzinnigheid, een ongemeen vlugge bevatting.” Dat was op 1 maart 1940. Precies een jaar later werd Visser ontslagen als president van de HR omdat hij joods was. De Hoge Raad heeft dit ultieme onrecht laten passeren zonder zichtbaar teken van afkeuring of weerstand. Volgens een latere brief heeft de vrouw van Visser in Westerbork gezegd dat de houding van de Hoge Raad, en met name het tekenen van de ariërverklaringen, hem een zielschok heeft gegeven die hem zwaarder heeft getroffen dan wat hem ook later persoonlijk trof.

Dat is veelzeggend, want ook daarna moet Visser zware teleurstellingen hebben ondervonden tijdens de bezetting. Hij was actief in het verzet, en daarin was hij strikt en onverzettelijk. Hij leverde zijn bijdrage als jurist: hij hield hoop op de goede afloop en formuleerde voorstellen voor het rechtsherstel na de oorlog. De lezing die u dadelijk gaat horen zal daarop dieper ingaan. Visser ging ook het kritische gesprek aan met de autoriteiten, en kwam daarbij actief op voor de rechten van de Nederlandse joden. De autoriteiten dreigden dat Visser hiermee op moest houden, anders zou het concentratiekamp in het verschiet komen. Die boodschap werd niet rechtstreeks gebracht. Het gebeurde via zijn vriend David Cohen, die voorzitter was geworden van de Joodsche Raad. Tekenend voor zijn grootheid is de reactie van Visser in een brief aan Cohen. Visser legt de nadruk daarin niet op wat hemzelf wordt aangedaan, maar toont vooral een open oog voor de moeilijke positie van Cohen, die wordt gedwongen om deze boodschap over te brengen. Enkele dagen daarna overleed Visser aan een hersenbloeding. Een verband met het dreigement enkele dagen daarvoor dringt zich natuurlijk op.

Die consideratie met de medemens, met de ander, bleek ook uit andere dingen. Ook uit kleine dingen. Zo vertelde een nicht van Visser mij een paar jaar geleden dat zij zich nog kon herinneren dat haar oom Lodewijk met haar in Den Haag ging wandelen bij het gemeentemuseum, toen ze nog een meisje was. En wat haar vooral was bijgebleven was dat hij als vanzelfsprekend zijn wandeltempo aanpaste aan die van het kind. Een prachtig voorbeeld van wellevendheid. En niet vanzelfsprekend, want wie kent niet het liedje “Pappie loop toch niet zo snel”, het liedje waarmee Herman van Keekem wekenlang de top van de Nederlandse hitlijsten aanvoerde.

Terug naar Visser, want daarover gaat het vanmiddag. Visser, de zo begaafde, beschaafde en ook onverzettelijke jurist. En die lezing wordt gehouden door een spreker die bij dit onderwerp bij uitstek op zijn plaats is, mijn collega en vice-president Ernst Numann.

Mr. L.E. Visserlezing 2018 door mr. Ernst J. Numann
Mr. Ernst Jona Numann (Hengelo,1950) studeerde rechten aan de Universiteit van Amsterdam. Vanaf 1977 werkte hij zes jaar als advocaat bij Buruma Lely Maris & Meijer in Den Haag. Van 1992-2000 was hij raadsheer in de Hoge Raad der Nederlanden. In 2011 werd hij vice-president. Hij was medeoprichter van het Centraal Joods Overleg in 1997. In de periode 1998-2000 was hij voorzitter van deze koepelorganisatie. Vanaf 1999 tot heden is hij bestuurslid, thans voorzitter van de Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa.

TEKST REDE
Visser’s rechtsherstel, over geestkracht en optimisme, over rechtsherstel en blijvend onrecht

De Stichting Joods Erfgoed Den Haag is erin geslaagd binnen de kortste keren een traditie te vestigen: de in 2015 voor het eerst gehouden ‘Mr. L.E. Visserlezing’ is in deze zaal al een vertrouwd gebeuren geworden. Ik beschouw het als een grote eer dit jaar die lezing te mogen geven.

Lodewijk Ernst Visser (geboren in Amersfoort in 1871) was een zeer vooraanstaand en gezaghebbend jurist, de eerste joodse president van de Hoge Raad, een belangrijke, gerespecteerde figuur in joods Nederland, maar bovenal een zeer bijzonder mens. Zijn hoge morele opvattingen, de wijze waarop hij die ook in praktijk bracht, zijn beginselvastheid en geestkracht maken hem tot een bijzonder interessante persoonlijkheid. Naar ik meen te weten is een biografie over hem in wording. Zijn persoonlijke archief is bewaard gebleven en het grootste gedeelte daarvan is door zijn (vorig jaar overleden) kleindochter Elisabeth Erdman-Visser overgedragen aan het Joods Historisch Museum, dat het archief op internet toegankelijk heeft gemaakt.

Vandaag wil ik u kennis laten maken met een wel zeer opmerkelijke prestatie van Visser, waarin vrijwel alle genoemde aspecten van zijn persoon samenkomen.

Ik neem u daartoe mee naar het naoorlogs rechtsherstel.

Oorlog en bezetting leiden vrijwel zonder uitzondering tot aanzienlijke en soms onvoorstelbare schade, toegebracht door gevechtshandelingen, bombardementen, plunderingen en moordpartijen. De Tweede Wereldoorlog heeft bovendien nog een bij mijn weten niet eerder vertoonde, kolossale schade geleid: de stelselmatige ontrechting en beroving van de joodse bevolkingsgroep in bezet Europa. Dat is ook in Nederland – waartoe ik mij verder beperk – grondig en volledig het geval geweest.

Bestond er dus na de bevrijding vanzelfsprekend de noodzaak de schade te herstellen en te vergoeden die door het oorlogsgeweld was teweeggebracht, de Staat diende ook het geïnstitutionaliseerde, door de (bezettende) overheid door middel van wetgeving en bestuur doelgericht gecreëerde onrecht, dat die beroving en ontrechting van de joden vormde, zoveel mogelijk ongedaan te maken. Aan dit onderwerp, hierna aan te duiden als ‘rechtsherstel’ heeft Wouter Veraart in 2005 zijn belangrijke proefschrift gewijd.

Wie een indruk van de omvang van de maatregelen wil krijgen, vindt in Veraarts boek op p. 50 een opsomming van dertien anti-joodse verordeningen. Hij geeft vervolgens een karakterschets van de ontrechting, waaraan ik het volgende ontleen:

“Deze verordeningen waren nog maar het topje van een bureaucratische ijsberg: ze gaven algemene regels die vervolgens door allerlei, ook Nederlandse instanties verder werden uitgewerkt en gespecificeerd. Ondanks de organisatorische complexiteit is het vaste stramien van de ontneming van vermogensrechten samen te vatten in drie woorden: aanmelding, beheer, verkoop, waarbij de verkoopopbrengst ging naar Duitse instanties, niet naar de rechthebbenden.

(…)

Zo kwamen joodse bedrijven (…) onder de Verwaltung van een ‘arische’ Duitse of Nederlandse Treuhänder te staan, en werden Verwalter over joods onroerend goed aangestuurd door de Niederländische Grundstücksverwaltung. Alle mogelijke roerende goederen en financiële vermogenswaarden moesten (…) worden ingeleverd bij een gevreesde Duitse instantie die opereerde onder de naam van een joods bankhuis: Lippmann Rosenthal & Co., Sarphatistraat (kortweg Liro). Liro ging zelf het beheer uitoefenen over de ingeleverde vermogenswaarden.”

Waarbij wordt vastgesteld dat dit ‘beheer’ die kwalificatie niet verdiende, omdat de beheerders de instructies van de bezetter dienden op te volgen en de goederen mochten vervreemden zonder toestemming van degenen die toch als rechthebbenden zouden moeten worden aangemerkt.

Dit alles was de regering in Londen niet ontgaan (sommige andere dingen, zo leek het soms, wel; maar daarover nu maar niet). In juni 1942 had Radio Oranje de kopers van door de bezetter geroofde goederen al gewaarschuwd dat hun buit geen veilig bezit zou zijn. In oktober 1942 werd in Londen de Cie. Herstel Rechtsverkeer in het leven geroepen, die onder voorzitterschap stond van mr. J. Eggens (voor de oorlog hoogleraar in Batavia, na de oorlog lid van het ‘driemanschap’ van ontwerpers van het Nieuw BW na het overlijden van Meijers in 1954, A-G bij de Hoge Raad en ten slotte hoogleraar in Amsterdam). De voorstellen van de Cie.-Eggens hebben – kort na D-Day – geleid tot de totstandkoming van een reeks Londense besluiten, die de voorstellen van Eggens vrijwel volledig overnamen. Die besluiten zijn door de regering tot stand gebracht niet alleen uiteraard zonder medewerking van een parlement, maar zelfs zonder dat de Buitengewone Raad van Advies (de pseudo-RvS) om advies was gevraagd, gelet op de grote haast die volgens de regering met het tot stand brengen van deze wetgeving was gemoeid. De voor ons onderwerp belangrijkste besluiten waren het Besluit Bezettings­maatregelen (E 93) en het Besluit Herstel Rechtsverkeer (E 100).

Het eerste besluit onderscheidde drie categorieën van door de bezetter ingevoerde wettelijke maatregelen:

(A) besluiten die geacht werden nimmer van kracht te zijn geweest. Hieronder ressorteerden o.m. de anti-joodse verordeningen;

(B) besluiten die buiten werking werden gesteld waar en zodra de bezetter verdreven was; en

(C) besluiten die voorlopig van kracht zouden blijven.

Omwille van de tijd en het doel van deze uiteenzetting beperk ik mij verder tot Besluit E 100. Het door dit besluit in het leven geroepen systeem van rechtsherstel kan als volgt worden gekenschetst.

De centrale gedachte van Eggens was dat men er niet omheen kon dat ook de verordeningen van lijst A nu eenmaal lange tijd van kracht waren geweest en zich daardoor niet zonder meer met terugwerkende kracht lieten wegdenken. Hij meende voorts dat het rechtsherstel door middel van billijkheidsrechtspraak gestalte diende te krijgen, zodat kon worden afgezien van uitvoerige regels met algemene werking. Bovendien zou het hele proces in hoog tempo zijn beslag dienen te krijgen. Dit leidde tot een stelsel waarin de effectuering van het rechtsherstel werd opgedragen aan één college, de Raad voor het Rechtsherstel.

Deze Raad – die zowel met rechtspraak als met uitvoering was belast, waartegen destijds al bezwaren werden geuit – kende verschillende afdelingen, waaronder de Afdeling Rechtspraak, de Afd. Onroerende goederen en de Afd. Effectenregistratie. Veraart laat zien dat van deze drie afdelingen alleen de Afd. Rechtspraak als onafhankelijk rechtscollege kon worden aangemerkt. Van die afdeling hebben dan ook vooraanstaande en gezaghebbende juristen deel utgemaakt, zoals prof. Cleveringa.

Art. 6 van Besluit E 100 bepaalde dat de Raad, met uitzondering van de Afd. Rechtspraak, de aanwijzingen van de ministers dienden op te volgen. Volgens art. 18 hadden alle besluiten van de Raad echter de kracht van rechterlijke uitspraken. De gespecialiseerde afdelingen kenden, cynisch genoeg, ook nog eens een aantal leden die behoorden tot de belanghebbende kringen. Tegen de uitspraken van deze afdelingen kon in de regel hoger beroep worden ingesteld bij de Afd. Rechtspraak. De uitspraken van de Afd. Rechtspraak waren niet onderworpen aan hoger beroep of cassatie, maar kenden uitsluitend een aan strikte voorwaarden gebonden herzieningsmogelijkheid. De bevoegdheid van de gewone rechter was uitgesloten, ook waar het kort gedingen betrof (art. 19).

Het materieelrechtelijke systeem van Besluit E 100 was, kort gezegd, het volgende:

  • De verordeningen van lijst A – waaronder dus o.m. de anti-joodse verordeningen – werden weliswaar met terugwerkende kracht als non-existent beschouwd, maar op die nietigheid mocht een rechtzoekende geen beroep doen. Die stond uitsluitend ter beoordeling van de Raad vh Rechtsherstel. Die was de oppermachtige spil in het raderwerk van het rechtsherstel.
  • De Raad kon tijdens de bezetting tot stand gekomen rechtsbetrekkingen nietig verklaren of wijzigen, als naar het oordeel van de Raad het achterwege laten van zulk ingrijpen in verband met de bijzondere omstandigheden onredelijk zou zijn (art. 23 lid 1).
  • Omgekeerd kon de Raad tijdens de bezetting tenietgegane rechtsbetrekkingen doen herleven (evt. in gewijzigde vorm), ook hier: als de Raad het achterwege laten van dergelijk ingrijpen onredelijk achtte (art. 23 lid 2).
  • Bij ingrijpen als in de leden 1 en 2 bedoeld, kon de Raad ook de onderliggende rechtshandelingen nietig verklaren of wijzigen (art. 24) en bepalen welke gevolgen aan een en ander verbonden zouden zijn, ook tegenover derden (art. 26).
  • Ingeval de in art. 23 bedoelde rechtsbetrekkingen waren tot stand gekomen, tenietgegaan of gewijzigd onder dwang, direct of indirect uitgeoefend door de bezetter, dan wel op grond van een maatregel als die van lijst A, werd niet-ingrijpen geacht onredelijk te zijn, behoudens tegenbewijs (art. 25).
  • Bij toepassing van een van de genoemde bevoegdheden kon de Raad bepalen dat de betrokken zaken of rechten aan de rechthebbende werden gerestitueerd (zonder vergoedingsplicht), tenzij deze (tegen een tegenprestatie) waren verkregen door een derde die aannemelijk maakte te goeder trouw te hebben verkregen. Dat betekende dat deze derde aannemelijk moest maken niet te hebben geweten, noch redelijkerwijs te hebben moeten vermoeden dat het door de bezetter geroofd goed betrof. Onder bijzondere omstandigheden (goederen van bijzondere waarde voor de beroofde) kon ook een te goeder trouw zijnde derde tot teruggave worden verplicht, maar dan tegen een door de eigenaar te betalen vergoeding (art. 27, 32).
  • 33, tenslotte, bepaalde, kort gezegd, dat wie een beroofde een betaling schuldig was dan wel een goed moest afgeven, maar die betaling/afgifte tijdens de bezetting aan een ander had verricht ingevolge een maatregel van de bezetter, van zijn schuld bevrijd was en bleef (art. 33).
  • Als om een van al deze redenen de beroofde eigenaar niet (terug)kreeg waarop hij als gevolg van de nietigverklaring van een rechtshandeling aanspraak had, werd hem schadevergoeding toegekend, hoofdelijk verschuldigd door een ieder die tijdens de bezetting de zaak of het recht niet te goeder trouw in bezit had gehad.
  • De Raad diende de bepalingen van Besluit E 100 naar redelijkheid en billijkheid toe te passen.

Het zal duidelijk zijn dat dit stelsel alle instrumenten bood waarmee recht kon worden gedaan, maar tegelijkertijd geen enkele waarborg inhield dat dat ook daadwerkelijk zou geschieden.

Hoezeer men dan ook bedenkingen kan hebben tegen de almacht die de Raad voor het Rechtsherstel in dit stelsel werd toegekend, het stelsel bood dus in elk geval voldoende handvatten om met voortvarendheid tot een behoorlijke mate van rechtsherstel te geraken.

Helaas liet de praktijk in de eerste jaren na de oorlog een ander beeld zien. Het proces van rechtsherstel in ons land is gedurende de eerste tien jaren uiterst traag en, op meerdere gebieden, niet bepaald naar behoren verlopen. Een belangrijke oorzaak daarvan is geweest dat de regering het herstel van het onrecht niet zozeer zag als een heilige, rechtsstatelijke plicht, maar in de eerste plaats als een ‘uitzonderlijk beleidsinstrument ten dienste van de wederopbouw’ (Veraart) De namen van de Cie-Eggens en Besluit E 100 – Cie. en het Besluit Herstel Rechtsverkeer – waren al veelzeggend: het ging inderdaad bovenal om herstel van het rechtsverkeer, en wel in het belang van de wederopbouw van het verwoeste en geplunderde vaderland. Typerend was dan ook dat de meest bij het rechtsherstel betrokken bewindsman niet de Minister van Justitie, maar de Minister van Financiën was. En dat was in deze cruciale jaren Lieftinck, die in deze financieel benarde epoche meer belang hechtte aan de toestand van ’s Rijks financiën dan aan herstel van onrecht. Het rechtsherstel, zo verwoordt Veraart het, moest de Nederlandse Staat vooral niet te veel kosten. Diverse grote spelers – zoals de Beurs en de verzekeraars (deze laatsten totdat de Afdeling Rechtspraak hen tot de orde riep) – maar ook kleine profiteurs, hebben deze houding op pijnlijke en beschamende wijze uitgebuit en daarvan geprofiteerd. In een aantal gevallen verkregen zij zelfs bescherming van de minister. Dat gold onder meer voor de effectenbeurs, nadat de Vereniging voor de Effectenhandel het in 1952 zelfs had bestaan een beursstaking uit te roepen – waarvoor Lieftinck vervolgens volledig door de knieën ging door aan het rechtsherstel met betrekking tot effecten eenvoudigweg een einde te maken. Dat dit alles ten koste ging van de beroofde slachtoffers, behoeft geen betoog.

Dat het hoofdstuk van het rechtsherstel in joodse kring als bitter is ervaren, vindt zijn oorzaak in al deze omstandigheden – maar ook in het, in elk geval in onze hedendaagse ogen, beschamende beleid van de Nederlandse regering, die van de aanvang af principieel heeft geweigerd de joodse slachtoffers anders te behandelen dan andere beroofden. Van discriminatie, waaraan de Duitsers zich zo hadden bezondigd, kon na de oorlog uiteraard geen sprake meer zijn. Van positieve discriminatie had destijds nog niemand gehoord. Nu ja, iedereen even slecht behandelen is natuurlijk ook een vorm van gelijke behandeling…

Het is te danken aan de grote inspanningen van groeperingen als de Joodse Commissie voor Herstel (met klinkende namen als de hoogleraren Kisch en Simons) en de latere Commissie Gedepossedeerden (onder voorzitterschap van Meijers), maar bovenal van de strijdlustige en onvermoeibare advocaat Heiman Sanders uit Rotterdam, dat het rechtsherstel allengs toch verregaand geëffectueerd werd. Volledig voltooid werd het nimmer, tot op de dag van vandaag niet. Ik prijs mij gelukkig in de jaren rond de eeuwwisseling, als lid van het Centraal Joods Overleg (CJO), een bescheiden aandeel te hebben mogen leveren in de afwikkeling van een aantal belangrijke ‘losse einden’ van het proces, waar het de overheid, de verzekeraars, de banken en de beurs betrof. Wie in die geschedenis is geïnteresseerd leze het in 2017 verdedigde proefschrift van Christiaan Ruppert, Eindelijk ‘restitutie’.
Het is tijd om terug te keren naar Visser. Wat zou hij van dit alles hebben gevonden? Hij overleed op 17 februari 1942, zo’n 2 ½ jaar voor de totstandkoming van Besluit E 100 en ruim drie jaar voor de bevrijding. Wij behoeven niet te gissen naar zijn ideeën over de contouren van het naoorlogs rechtsherstel: aan het eind van zijn leven heeft hij een notitie geschreven over hoe hij zich dat rechtsherstel voorstelde. Mr. J.A. Polak – raadsheer in het Haagse gerechtshof en, hoewel veel jonger, een goede bekende van Visser – heeft in 1971 een voordracht gehouden, getiteld ‘Leven en werken van Mr. L.E. Visser’ voor het Genootschap voor de Joodse Wetenschap in Nederland, waarvan zich een typoscript bevindt in het Visserarchief van het JHM, in 1974 onder dezelfde titel als boekje verschenen. Aan deze beschouwingen is veel van het hierna volgende ontleend.

Volgens Polak schreef Visser deze notitie over het rechtsherstel gedurende de laatste weken van zijn leven en heeft zijn weduwe het stuk in een envelop bewaard waarop zij had genoteerd: “Laatste werk”

Stelt u zich voor: de wederrechtelijk ontslagen, 70-jarige, joodse president van de Hoge Raad, zuchtend onder de overmacht van een onoverwinnelijk lijkende bezetter, die met hem en zijn lotgenoten het ergste voorheeft, een man dus zonder enig perspectief op een waardige en vredige levensavond, laat staan op het herstel van de rechtsstaat, noteert kort voor zijn overlijden hoe de ontrechting van met name het joodse volksdeel na die bezetting ongedaan zou moeten worden gemaakt. Wat een optimisme, wat een vertrouwen in de uiteindelijke zege van het Recht, wat een levenskracht!

Hoe zag nu het stelsel eruit dat Visser voor ogen stond?

Zijn archief bevat een handgeschreven versie van het stuk en twee typoscripten, die alle gelijkluidend zijn. Maar blijkbaar ontbreekt iets voorafgaands: de tekst valt met de deur in huis, en Polak citeert uit “de eerste zin”: “dat de oorlog eindigt met de terugkeer van H.M. de Koningin en de wettige regering.” Vissers kleindochter, die mij een jaar of tien geleden een fotokopie van de notitie zond, bevestigt in een brief van haar grootmoeder, Vissers weduwe dus, te hebben gelezen dat er een voorafgaande pagina is geweest waarin inderdaad iets stond over de terugkeer van de koningin. Blijkbaar is die pagina verdwenen. Ook het manuscript bevat die tekst dus niet.

De uiteenzetting vangt aan met de vooropstelling dat ‘de restauratie’ een eind zal maken aan de discriminatie van de joden en de gelding van de discriminerende verordeningen en maatregelen en dat verondersteld mag worden dat men dan zal trachten de gevolgen van die maatregelen zoveel mogelijk teniet te doen.

Visser noteert dat alle slachtoffers op gelijke wijze dienden te worden behandeld – die wens is dus wel in vervulling gegaan! – en dat de specifiek joodse schades als oorlogsschade zouden worden beschouwd, waaromtrent een regeling zou moeten worden getroffen. Aan te nemen valt dat Visser bedoelde dat die schade althans in eerste instantie voor rekening van de Staat zou komen. Die wens is ijdel gebleken. De immateriële schade – het leed en de ontberingen – wilde Visser niet onder die oorlogsschade brengen en niet voor vergoeding in aanmerking laten komen, omdat die schade niet met geld was goed te maken.

Visser onderscheidt dan twee varianten voor het herstel:

(A) schadevergoeding in geld (of in natura) en

(B) restitutio in integrum (d.i. herstel in de oude toestand).

Dit laatste heeft zijn voorkeur. Tot schadevergoeding zou het slechts dan moeten komen als restitutie niet mogelijk is.

Als uitgangspunten bij de restitutie bepleit Visser:

  • Wie goederen in handen heeft die door of met behulp van de bezetter aan joden zijn ontnomen, wordt geacht te kwader trouw te hebben verkregen, tenzij goede trouw wordt aangetoond.
  • Restitutie mag niet tot verrijking (van de beroofden) leiden: als destijds voor het goed iets is ontvangen, dient dat te worden teruggegeven.
  • Over de rechten van beroofde eigenaren moet op snelle en eenvoudige wijze kunnen worden beslist.

Restitutie ziet hij voornamelijk in aanmerking komen bij joodse landelijk eigendom, de vermogenswaarden die bij Liro waren ingeleverd en joodse bedrijven (voor zover niet geliquideerd).

Hij gaf blijk van een voorspellende geest toen hij schreef grote moeilijkheden te verwachten bij het effecten-rechtsherstel (als zou blijken dat Liro effecten had weggemaakt). Wat de liquidatie van Liro betreft, had het volgens Visser de voorkeur het niet op een faillissement te laten aankomen, maar te kiezen voor een onderbeheerstelling. Wat niet te restitueren was, zou als oorlogsschade moeten worden aangemerkt. Op dit punt is zijn wens in vervulling gegaan: Liro is geliquideerd als ‘Liquidatie van Verwaltung Sarphatistraat’ (LVVS, die, verrassend genoeg, de rechthebbenden uiteindelijk 90% van de nominale waarde van hun tegoeden heeft kunnen restitueren).

Hoewel gedetailleerde vergelijking van het door Visser gedachte stelsel met dat van de Besluiten E 93 en E 100 niet goed mogelijk is omdat de schets van Visser vrij rudimentair is gebleven, vallen twee verschillen direct op: beide systemen draaien, waar het de verkrijging betreft van door of door toedoen van de bezetter geroofde goederen, de in het algemeen voor roerende zaken geldende regel om die inhoudt dat verkrijgers vermoed worden te goeder trouw te zijn (behoudens tegenbewijs) en zij veronderstellen kwade trouw, tenzij de goede trouw van de bezitter komt vast te staan. Wat dat laatste betreft, verdient opmerking dat Visser eist dat de bezitter zijn goede trouw aantoont, terwijl art. 27 van Besluit E 100 spreekt van aannemelijk maken. Dat is een lichtere eis. Overigens gold deze omkering, dankzij de slappe knieën van Lieftinck, al helemaal niet voor geroofde effecten.

Anders dan Visser voorstond bovendien, kende Besluit E 100 niet het primaat van de restitutie, maar wordt, op de keper beschouwd, de wijze van rechtsherstel (met betrekking tot rechtsbetrekkingen en onderliggende rechtshandelingen) volledig overgelaten aan het billijkheidsoordeel van de niet aan enig hoger rechterlijk toezicht onderworpen Afdeling Rechtspraak van de RvhR. Die vrijheid wordt slechts (tot op zekere hoogte) ingeperkt door art. 25, dat immers bepaalde dat in de daar genoemde – voor de joodse gedepossedeerden overigens wel belangrijke – gevallen niet-ingrijpen onredelijk (en ingrijpen dus geboden) verklaarde – ‘behoudens blijk van het tegendeel’.

Wij zagen dat ook Visser voorstander was van een snelle en eenvoudige geschilbeslechting. Hij adviseerde ook de instelling van specale commissies, wier beslissingen zijns inziens vaak meer het karakter van regelingen zouden krijgen dan van geschillenbeslechting. Toch vermoed ik dat hij met de mate waarin rechtsmacht aan de RvhR werd toegekend, niet gelukkig zou zijn geweest. En evenmin met de wijze waarop het naoorlogs rechtsherstel in zijn algemeenheid is verlopen. Met zijn hoog ontwikkeld gevoel voor rechtsstatelijkheid en het daarmee gepaard gaande gevoel voor gerechtigheid, had hij zich duidelijk een ander systeem van rechtsherstel voorgesteld dan het ‘uitzonderlijke beleidsinstrument ten dienste van de wederopbouw’ dat het in de eerste plaats is geworden. Waarmee niet is gezegd dat het naoorlogs rechtsherstel niet ook in veel gevallen naar behoren is verlopen.

Nadat de bezetter hem, bij schrijven van ‘de Secretaris-Generaal, wnd. Hoofd van het Departement van Justitie’, op 21 november 1940 van de waarneming van zijn functie van President van den Hoogen Raad der Nederlanden had ontheven – zij het ‘voorloopig in het genot gelaten van wedden, toelagen e.d. –  heeft Visser, die zich voordien – zelfs al na de Eerste Wereldoorlog – om het lot van joodse vluchtelingen had bekommerd, zich volledig ingezet voor de joodse gemeenschap, onder meer als voorzitter van de door de joodse kerkgenootschappen opgerichte Coördinatie-Commissie, die de belangen van die steeds harder getroffen joodse gemeenschap behartigde. Hij deed dat als jood, maar niet minder vanuit zijn rechtsstatelijke overtuiging, zijn vertrouwen in de kracht van het recht, met zijn grote geestkracht en niet in de laatste plaats ook zijn lef. Men kan zich voorstellen dat zijn weduwe, daags na zijn overlijden, heeft gezegd: “Zijn grootste tijd is gekomen na de bezetting.”, zoals Polak rapporteert. Terwijl zijn professionele loopbaan al zo stalend was geweest.

Visser had niet alleen moed – hij was actief in het verzet en voor niemand bang; ik kom daar nog op terug – hij was bovenal een man van principes. Beginselvast was hij ook waar het fundamentele beginselen als het gelijkheidsbeginsel betrof, zoals wij al zagen in zijn notitie over het rechtsherstel. Kenmerkend is in dat verband ook wat hij Polak schreef naar aanleiding van zijn ontslag, dat de bezetter hem, ruim drie maanden na zijn ‘ontheffing’ uit zijn ambt, per 1 maart 1941 had gegeven. Er waren blijkbaar pogingen in het werk gesteld om ontslag uitgesteld te krijgen tot 1 september van dat jaar, de datum waarop de op 21 augustus 1871 geboren Visser, het wettelijke leeftijdsontslag zou zijn verleend. Polak schrijft dat Visser verheugd was dat deze pogingen niet gelukt waren, en citeert: “Het zou mij gehinderd hebben als ik niet in de rij had kunnen staan met degenen die zo onrechtvaardig behandeld zijn”, waaraan hij had toegevoegd dat het allemaal veel erger was voor jonge mensen, die nog aan het begin van hun loopbaan stonden, “zoals Carel”. (Dat was C.H.F. Polak, de broer van Jacques, en de latere minister van Justitie).

Wat zijn moed betreft: hij was betrokken bij het illegale Parool en stak herhaaldelijk zijn nek uit ten behoeve van zijn joodse broeders. In juni 1941 deed hij, via de secretaris-generaal van het Departement van Justitie, Hooykaas, een vergeefse poging belet te krijgen bij Rauter om in het krijt te treden voor de omstreeks vierhonderd jonge mannen die bij de eerste razzia in Amsterdam waren opgepakt en naar Mauthausen getransporteerd. Hij schreef vervolgens een brief aan de Generalkommissar, die hij, de beginselvaste en drie maanden eerder wederrechtelijk ontslagen president, ijskoud ondertekende met zijn handtekening en de aanduiding “Präsident des obersten Gerichtshofes der Niederlande a.D. (ausser Dienst)”. Het wel eens vertelde verhaal dat hij die aanduiding (in het Nederlands) ook op zijn visitekaartjes had laten drukken, heb ik niet bevestigd gevonden (terwijl het archief wel visitekaartjes bevat). Maar iets soortgelijks heeft wel plaatsgevonden – zo leert een anonieme necrologie uit 1942 in het Visser-archief – met het persoonsbewijs dat Visser omstreeks diezelfde tijd in ontvangst moest komen nemen. Gevraagd naar zijn beroep, gaf Visser op: President van de Hoge Raad. Dat leek de ‘gezags’getrouwe ambtenaar – die dan ook nooit trouw aan de Grondwet had behoeven te zweren – niet juist. Na enig gesteggel vulde de ambtenaar in, naar verluidt met instemming van Visser: President van de Hoge Raad b.d.

Nog beginselvaster toonde Visser zich vervolgens toen hij weigerde dat persoonsbewijs in ontvangst te nemen omdat het ‘uiteraard’ voorzien was van een grote, gestempelde J. Daarvoor bestond in de desbetreffende verordening geen grondslag, zo liet hij de ambtenaar noteren. Naar het schijnt was dit stempelbeleid ‘slechts’ door Rauter verordonneerd.

Een ander moedig en onbaatzuchtig bezoek vond plaats aan Frederiks, de secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken. Visser maakte bij Frederiks melding van het hem te ore gekomen besluit joden vanuit andere plaatsen naar Amsterdam of Westerbork over te brengen. Dat bezoek kwam hem te staan op een reprimande van de ‘Beauftragte’ van de Rijkscommissaris van de stad Amsterdam (dat moet Böhmcker zijn geweest), welke uitbrander hem moest worden overgebracht door Prof. David Cohen, een van de twee voorzitters van de Joodse Raad. Zoals Hirsch Ballin, in de eerste Visserlezing (in 2015) al heeft uiteengezet, was tussen Visser en Cohen, die in het verleden op goede voet met elkaar hadden gestaan en in de vooroorlogse jaren hadden samengewerkt in het steuncomité voor gevluchte Duitse joden, een diepgaande controverse ontstaan over de houding die tegenover de bezetter moest worden aangenomen. Visser heeft zich herhaaldelijk uiterst kritisch uitgelaten over de rol die de Joodse Raad zich door de Duitsers liet opdringen. Nu schreef Cohen hem, namens die Beauftragte, dat deze had gezegd dat zo’n bezoek als Visser aan Frederiks had gebracht, hem verboden was “op straffe van overbrenging naar een concentratiekamp.” Deze brief ontving Visser op 14 februari 1942. Zijn antwoord, diezelfde dag nog, vanmiddag al even door mr. Feteris genoemd, typeert Visser volledig. Soeverein, empathisch, maar in mijn ogen ook sarcastisch, schrijft hij: “Ik ben zeer onder de indruk van de vernedering, welke U, die de historie van deze stappen kent, door deze opdracht is aangedaan.” Drie dagen later overleed Visser. In zijn eigen huis.

Aan Lodewijk Ernst Visser kon bij zijn leven geen recht meer geschieden, geen rechtsherstel meer worden geboden.

Na de jaren van verschrikking heeft men wel – in de gelederen van de Hoge Raad helaas pas laat – zijn grote verdiensten onderkend en hem de eer betuigd die hem toekomt, deze grote persoonlijkheid, die in woord, geschrift en daad grote moed en vastberadenheid heeft getoond vanuit de overtuiging dat het recht en de gerechtigheid uiteindelijk moeten en zullen zegevieren.

Dat eerbetoon zou voor hem niet zo belangrijk zijn geweest, vermoed ik. Dat geldt ook voor het feit dat deze zaal naar hem is vernoemd. Werkelijk eer wordt hem bewezen als in deze zaal en daarbuiten Recht wordt gedaan – de rechtsstaat wordt gehandhaafd.