
De Joodse inwoners van Den Haag hadden in de zeventiende en achttiende eeuw meer mogelijkheden om toe te treden tot gilden dan in andere steden.

Na de succesvolle presentatie in de Schutterzaal van het Haags Historisch Museum van de Stichting Joods Erfgoed Den Haag, bleek er zeker lokaal maar ook landelijk grote aandacht voor de stichting en haar doelstellingen. Onder andere De Telegraaf, het Reformatorisch Dagblad, het Algemeen Dagblad, Haagse Dingen en De Oud Hagenaar schreven over de nieuwe stichting en haar doelstelling. Eén punt kwam veel ter sprake in de mediale uitingen, de roep om een Haags Joods Museum.

Simon Philip Goudsmit opende samen met Abraham Salomon Polak in 1870 een kleine fourniturenwinkel onder de naam Polak en Goudsmit aan de Amsterdamse Nieuwendijk 132. Als Goudsmit in 1889 sterft, neemt zijn voortvarende neef Arthur Isaac (1866-1932) het roer over. In 1892 kreeg de winkel de naam ‘Magazijn de Bijenkorf’.

In Scheveningen woonde tussen de twee wereldoorlogen een grote gemeenschap van Joden uit Oost-Europa. Velen van hen waren door de Russische pogroms en voor de dreiging en de gevaren van de Eerste Wereldoorlog naar Nederland gevlucht. Zij hadden sedert 1922 synagogen en er waren veel winkels met Joodse eigenaren. In de jaren 1930 kwamen daar Duitse en Oostenrijkse vluchtelingen voor Nazi-Duitsland bij. Maar al snel na de bezetting moesten Joden het kustgebied verlaten.

Op initiatief van leerlingen en oud-leerlingen is in 1948 in de MULO-school aan de Laan 5 in Den Haag, de plaquette ‘Rachel weent om haar kinderen’ aangebracht ter herdening van de ruim 100 Joodse (oud)leerlingen die in de Tweede Wereldoorlog zijn vermoord. De originele plaquette is nu in het Museon, een kopie op het Rabbijn Maarsenplein.