Sjabbatpaaltjes in Den Haag

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

Sjabbatpaaltje ter hoogte van Juliana van Stolberglaan 210, met rechts de Johannes Camphuijsstraat, januari 1932 –
collectie Spaarnestad fotoarchief

Regelmatig komen bij de Stichting Joods Erfgoed Den Haag of bij het Haags Gemeentearchief vragen binnen over Haagse sjabbatpaaltjes. Waar stonden deze paaltjes en waarvoor dienden ze?

Exodus, Jeremia en het draaggebied

Het draaggebied vindt zijn oorsprong in Exodus 16:29 ‘ieder moet op zijn plaats blijven, niemand mag op de zevende dag uit zijn woonplaats gaan’.  Op grond van Jeremia 17:23 ‘u moet geen lasten optillen op sjabbat en binnendragen in de poorten van Jeruzalem’ bepaalden Joodse geleerden dat op sjabbat gelovige Joden geen lasten (voorwerpen) mochten dragen buiten het woonhuis. Binnen het woonhuis mochten wel voorwerpen worden gedragen. Dit oorspronkelijke draaggebied (eroew techoemiem) werd uitgebreid tot het deel van de woonplaats dat afgesloten kon worden. Buiten dat gebied was het aan Joden verboden iets te dragen dat niet tot de kleding behoorde, zoals bijvoorbeeld een sleutel. Ook in de zakken van de kleding mocht niets worden gedragen.

Het draaggebied van Den Haag

Toen Den Haag vanaf het midden van de zeventiende eeuw veel Joodse bewoners kreeg, wensten de nieuwkomers ook een afgesloten draaggebied. In veel steden was dat geen problemen, die hadden muren, poorten of ophaalbruggen.  Maar Den Haag was niet ommuurd, en was dat ook nooit geweest. Na breed – zelfs internationaal overleg – tussen onder andere rabbijnen van Den Haag, Amsterdam, Altona, Hamburg en Praag werd uiteindelijk in 1694 een oplossing gevonden. Op twee plaatsen in de stad kwamen over de singels – in plaats van stenen bruggen – ophaalbruggen, de Bosbrug en de Wagenbrug. Aan de Houtweg, de Veenkade en bij het Buitenom kwamen poorthekken. Gelovige Joden konden nu bijvoorbeeld hun tallieth (gebedsmantel) en hun gebedenboeken mee naar de synagoge nemen.

Tot omstreeks 1850 gaven de singels de grenzen van het draaggebied aan.

Laan van Nieuw Oost-Indië bij de Willem van Outhoornstraat, op de hoek een Sjabbat-paaltje, 1907 –
collectie Haags Gemeentearchief

Paaltjes bakenen het draaggebied in de stad af

Toen op den duur de poorthekken en ophaalbruggen verdwenen en er stadsuitbreidingen buiten de singels plaatsvonden, besloten de Haagse rabbijnen het draaggebied te vergroten. In de stad kwamen symbolische houten paaltjes met kettingen, die in het vervolg de grenzen van het draaggebied aangaven. De paaltjes stonden aan weerszijden van een straathoek. Een paaltje had een afsluitketting (‘een op bos gebonden ketting’) en het andere paaltje een oog om de ketting te bevestigen.

Den Haag groeide en veel Joden verhuisden naar nieuwe buurten, zoals het Bezuidenhout. Het draaggebied moest worden uitgebreid. Verschillende malen zijn in de twintigste eeuw de paaltjes verplaatst. Op de plattegrond van J.A. Ravoo is te zien waar de paaltjes in 1925 stonden.

Plattegrond van Den Haag met aanduiding van de plaatsen waar in 1925 sjabbatpaaltjes stonden – plattegrond gemaakt door J.A. Ravoo

Rabbijn Izak van Gelder maakte in april 1925 in de synagoge bekend dat het draaggebied was uitgebreid: ‘Met dien verstande dat het gedeelte van de stad, begrensd door den Bezuidenhoutseweg, het water van de Neuhuyskade, het water van de Wassenaarsekade, de overkluizing van de Wassenaarsekade en de Koninginnegracht’ binnen het draaggebied liggen. De Wassenaarseweg heette tot 1927 Wassenaarsekade.

Het hele centrum met de Joodse buurt, de Schilderswijk, Zorgvliet en delen van Scheveningen, het Benoordenhout en het Bezuidenhout vielen onder het draaggebied.

In 1933 is het draaggebied opnieuw uitgebreid. Vermoedelijk kwamen toen nieuwe buurten in het westen van Den Haag, zoals Transvaal en Duinoord, binnen het draaggebied te liggen. Er stonden vanaf dat jaar tot aan het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog 43 sjabbat-paaltjes in Den Haag.

1940: het einde van de sjabbatpaaltjes

Al direct na het begin van de Duitse bezetting maakten de Duitse bezetter een einde aan de symbolische sjabbatpaaltjes en het draaggebied.  Meteen verdween een aantal paaltjes. Op de eerste dag van Shavuot 1940 (Wekenfeest 11 juni 1940) werd in de synagogen van Den Haag meegedeeld:

‘Het is gebleken dat op verschillende punten de afbakeningen van het sjabbath-draaggebied niet meer in tact zijn. Daarom wordt hierbij onder de aandacht van de gemeenteleden gebracht, dat het tot nader aankondiging verboden is om buitenshuis gedurende de sjabbath dingen bij zich te hebben, die men gewoonlijk in de zak draagt zoals sleutels of zakdoek of om met handtas en paraplu uit te gaan.

In de oorlog zouden alle sjabbatpaaltjes verdwijnen en daarmee het uit 1694 daterende Haagse draaggebied. In 1945 resteerde er geen enkel paaltje meer.

Na de oorlog is het draaggebied in Den Haag niet hersteld.

Verder lezen

Dick Houwaart, Kehillo Kedousjo Den Haag. Een halve eeuw geschiedenis van joods Den Haag (Den Haag 1986) p.95-96

J.A. Ravoo, ‘Een symbolische gordel. De geschiedenis van het joodse draaggebied in Den Haag’, in: Ons Den Haag, 3-8 (1988) p. 148-151

I.B. van Creveld, De verdwenen Buurt. Drie eeuwen centrum van Joods Den Haag (Den Haag 1989) p. 29-31

I.B. van Creveld, Haagse rabbijnen. Drie eeuwen geestelijke leiding (Zutphen 1995) p. 13, 99