I’m not a victim. I am a survivor. Het levensverhaal van Eddy Boas

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

Eddy Boas in het stadhuis van Den Haag op 4 augustus 2017 met zijn boek ‘I’m not a victim. I am a survivor’

Deze maand presenteerde Eddy Boas zijn autobiografie ‘I’m not a victim. I am survivor’. Een bewogen verhaal van een Joodse Hagenaar die de eerste jaren van jeugd in het bezette Nederland, in Westerbork en het concentratiekamp Bergen-Belsen meemaakte. Met zijn moeder, broer en zus emigreerde hij in 1954 naar Australië en wist daar een nieuw bestaan op te bouwen.

De eerste Haagse jaren

Eddy (Elias) Boas is geboren op 26 januari 1940 in Den Haag, waar familieleden al enige generaties woonachtig waren. Zijn vader Philip Boas (1906-1948) huwde in 1934 de Joodse Sara Schoonhoed (1911-2001) uit den Haag, de dochter van een grote ondernemer in fruit.  Een opmerkelijke vrouw. Zij was de eerste vrouw in Den Haag met een groot rijbewijs en de tweede in Holland met een rijbewijs voor motorfietsen!

Na hun huwelijk van Philip en Sara kregen zij een groentewinkel in de Galvanistraat. Toen het slecht ging met de onderneming verkocht Boas de winkel en ging op een bakfiets verder met de verkoop van groente en fruit.

Het gezin was niet-religieus Joods, maar hield zich aan een aantal tradities. Zijn moeder weigerde bijvoorbeeld varkensvlees of schaaldieren op tafel te zetten. Na de oorlog kregen de kinderen Joodse les.

Philip Boas in 1921 –
fotocollectie Eddy Boas

Suze Boas en haar broer Jonas, ca. 1935 –
fotocollectie Eddy Boas

De bezetting

Eddy Boas was nog slechts een baby toen de Duitsers op 10 mei 1940 Nederland binnenvielen.

In 1942 slaagde zijn moeder erin via de Joodse Raad in Den Haag een Sperre voor de familie te regelen en baantje voor haar man bij de Joodse Raad. Hij kreeg de vreselijke taak opgelegd om meubels en andere bezittingen van gedeporteerde Joden ophalen. Daarom kon het gezin, als een van de weinige Joodse familie, ook na april 1943 nog ‘bovengronds’ in Den Haag wonen. Op last van de Duitse hadden in die maand alle Joden Den Haag moeten verlaten, alleen voor gemengd-gehuwde Joden en een aantal medewerkers van de Joodse Raad in Den Haag gold een uitzondering.

Het betekende slechts een uitstel van korte duur. Op 28 september 1943 werd ook het gezin Boas-Schoonhoed gedeporteerd naar Westerbork, waar zij gedurende een aantal maanden verbleven in barak 70.  Vader Boas kreeg als taak met paard en wagen voedsel voor het kamp op te halen. Na vier maanden kwam het bericht binnen over de volgende deportatie. Op 1 februari 1944 moesten vader, moeder en de twee zonen naar Bergen-Belsen vertrekken. In overvolle veewagens vond het transport naar dit Duitse concentratiekamp plaats.  Alle vier de gezinsleden overleefden de verschrikkingen van dit kamp en verbleven daar tot 9 april 1945, tot zes dagen voor de bevrijding. De SS besloot begin april gevangenen naar andere kampen te deporteren. Veel Nederlandse gevangenenuit Bergen-Belsen – waaronder het gezin Boas – kwamen in de zogenaamde ‘lost train’ terecht. Hun bestemming zou concentratiekamp Theresienstadt zijn. De trein kwam uiteindelijk tot stilstand in het Duitse dorp Tröbitz (een kleine gemeente in Brandenburg), waar op 23 april 1945 Russische soldaten de trein aantroffen en de gevangenen bevrijdden.

Eindelijk waren ouders en kinderen Boas geen nazi-gevangene meer. Zij konden terugkeren naar Nederland. Van de verdere familie overleefden evenwel slechts weinigen de oorlog.

Naar Australië

Op 13 juni 1945 keerde de familie terug in Den Haag. Daar trof het gezin andere bewoners in hun oude huis aan de Kraijenhoffstraat 39 aan. Zij waren daarom gedwongen elders hulp te zoeken. In het tehuis Groenestein aan de Loosduinseweg , dat al de gehele oorlog ingericht was als noodopvang voor oorlogsslachtoffers, vond het gezin gedurende drie dagen tijdelijke huisvesting. Daarna kregen ze onderdak bij hun verre verwant Kaatje Konijnenburg-Huisman.

Het leven leek een normale wending te nemen. Moeder Suze Boas opende in 1947 aan de Hoefkade een textielzaak, die goed liep. Op  9 februari 1947 kwam er zelfs een derde kind in het gezin, Estelle Clair.

Het geluk was slechts van korte duur. Op 30 augustus 1948 overleed – waarschijnlijk ten gevolge van alle ontberingen – vader Philip Boas.  Hij ligt begraven op de Joodse begraafplaats aan het Kerkehout in Wassenaar.

Suze Boas nam toen een opmerkelijke beslissing. Zij besloot Nederland vaarwel te zeggen en met drie kinderen in 1954 naar Australië te emigreren om daar een nieuw bestaan op te bouwen. Daar is Eddy Boas nog steeds woonachtig.

Verder lezen:

Eddy Boas, I’m not a victim. I am a survivor (Australië 2017); info boek: www.eddyboaspublishing.com.au

Achtergronden van de ‘het verloren transport’ of ‘the lost train’ van Bergen-Belsen naar Tröbitz