Familie Belinfante: gezichtsbepalend voor de journalistiek in Nederland

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

 

Door Sal Stam

Weinig families hebben zo hun stempel gedrukt op de Nederlandse journalistiek als de Joodse familie Belinfante in Den Haag. Twee eeuwen lang waren de Belinfantes in meerdere opzichten gezichtsbepalend.

Isaäc Belinfante(1814-1892), journalist, boekhandelaar, boekdrukker en uitgever, mede-oprichter van het Correspondentiebureau - foto van ca. 1880, fotograaf J. Hohmann

Isaäc Belinfante(1814-1892), journalist, boekhandelaar, boekdrukker en uitgever, mede-oprichter van het Correspondentiebureau, foto van ca. 1880 –
 fotograaf J. Hohmann

Belinfante en het ANP
Het ANP, de Rijksvoorlichtingsdienst, de perstribune in de Tweede Kamer, je kunt het zo gek niet bedenken of de familie Belinfante heeft er wel iets mee te maken gehad. En wat de denken van thema’s als het spanningsveld tussen commercie en onafhankelijke journalistiek. Het is minder nieuw dan het lijkt, de Belinfantes kregen hier als een van de eersten mee te maken.
Onder journalisten, en zeker oudgedienden van het ANP, staan de Belinfantes tegenwoordig misschien nog het meest bekend als de familie die aan de wieg stond van het nationale persbureau. Dat is inmiddels meer dan tachtig jaar geleden. De oprichting van het ANP heeft een lange aanloop gehad die teruggaat tot 1844, toen het zogeheten Nederlandsch (Haagsch) Correspondentiebureau voor Dagbladen officieel werd opgericht. Het bureau had net zoals het huidige ANP meerdere afnemers en werd gerund door onder meer Jacob Belinfante en zijn zonen Joost en Isaäc. Drie telgen uit een familie die de Nederlandse journalistiek jarenlang zou domineren.

Inquisitie
De familie Belinfante heeft Portugese wortels en kwam in de zestiende eeuw naar Nederland om aan de inquisitie te ontkomen.
Op allerlei manieren verdienden de Belinfantes hun brood met ‘het woord’: niet alleen als journalist maar ook bijvoorbeeld als bibliothecaris, dichter, vertaler, onderwijzer of als rabbijn, zo staat in een artikel van Joost Divendal, een van nazaten van de Belinfantes, in vakblad De Journalist van 23 maart 2001.

Familie Belinfante komt naar Den Haag
Aan het begin van de achttiende eeuw kwamen Mozes Belinfante en zijn vrouw Sara Guerman vanuit Amsterdam in Den Haag. Zij sloten zich aan bij de kleine Sefardische gemeente in de stad die omstreeks 1730 ongeveer 250 leden kende en een mooie synagoge had aan de Prinsegracht.
Hun oudste zoon Sadic (of Tsadiek) (Amsterdam 1732–Den Haag 1786) groeide op in Londen bij zijn oom Elijah Hezkia. Hij kwam in 1760 naar Den Haag, toen zijn ouders zich daar vestigden. Hij was hoofd van de Joodse godsdienstschool, die was gevestigd in de Stads-armenschool, die in 1728 door de burgemeesters van Den Haag was opgericht in een steegje bij de Voldersgracht.
Op 15 juni 1760 trouwde Tsadiek in Den Haag met zijn zes jaar jongere nicht Hanna Paloma Cohenet Belinfante (Amsterdam 1738–Den Haag 1801). Zij kregen negen kinderen, waarvan er zeven in leven bleven, Mozes, Salomon, Abraham, Sara, Rebecca, Esther en Jacob.
Na het overlijden in 1783 van Salomo Saruco (Amsterdam 1712–Den Haag 1784), de opperrabbijn van de Sefardische gemeente in Den Haag, nam Tsadiek Belinfante het opperrabbinaat waar tot aan zijn overlijden op 31 oktober 1786. Hij werd begraven op het Portugese deel van de begraafplaats aan de Scheveningse weg. Op deze begraafplaats zijn vele tientallen leden van de familie Belinfante begraven.

Drukkerij Belinfante aan de Paviljoensgracht 17, omstreeks 1870 - fotocollectie Haags Gemeentearchief

Drukkerij Belinfante aan de Paviljoensgracht 17, omstreeks 1870 –
fotocollectie Haags Gemeentearchief

Journalistiek
Er zijn meer dan twintig telgen van de Belinfante-familie bekend die in de journalistiek werkzaam zijn geweest. Twee zonen van Tzadiek Belinfante, Jacob (Den Haag 1780–Den Haag 1841) en zijn oudere broer Mozes (Den Haag 1761–Den Haag 1821), waren de eersten. Zij verdienden hun geld ook als uitgever. De meertalige Mozes publiceerde in 1796 de eerste Israëlitische Almanak, de opmaat van de Hollandsche Almanak. Drie jaar later trad Jacob op 19-jarige leeftijd als redacteur aan bij de Haagsche Courant, die tussen 1795 en 1811 verscheen. Later volgden nog tal van andere projecten, waaronder de uitgave van de grondwet voor Lodewijk Napoleon, die op grote sympathie kon rekenen van de twee broers Belinfante.
In 1802 was de familieonderneming Belinfante & Compagnie een feit. Dit familiebedrijf was de voorloper van het particuliere persbureau Correspondentiebureau, dat later dus werd omgevormd tot het ANP.

Pers aan banden
Van onafhankelijke journalistiek was indertijd nog bepaald geen sprake. Verslagen voor de Staatscourant passeerden altijd het bureau van de minister van Binnenlandse Zaken. Ook op andere fronten was de scheidslijn tussen pers en landelijk bestuur maar moeilijk te trekken, en dat kon bijzondere situaties opleveren. Zo bewerkte en vertaalde Jacob redevoeringen voor de regering. Zijn zoon Isaäc (Amsterdam 1814–Den Haag 1892) had met het familiebedrijf zoveel macht dat hij het zich kon permitteren koning Willem II te souffleren over de meningsvorming in de Tweede Kamer. Toen het staatshoofd op een goed moment bezwaar maakte tegen een publicatie over een huwelijk van een Nederlandse prins met een Franse prinses, kwam Isaäc met een bijzonder en veel bepalend advies: stel een tussenpersoon aan die namens het hof mededelingen doet. Dat was de eerste aanzet voor de oprichting van de Rijksvoorlichtingsdienst, overigens pas een eeuw later.

Succesvol Correspondentiebureau
De Belinfantes hebben hun machtspositie lang in stand kunnen houden, mede doordat het Correspondentiebureau goed georganiseerd was.
Dit eerste Nederlandse persbureau was in 1837 opgericht door Jacob Belinfante, zijn zonen Joseph (Amsterdam 1812–Den Haag) en Isaäc, zijn dochter Clara (Den Haag 1817–Den Haag 1893) en zijn schoonzoon en neef Aron Belinfante (Amsterdam 1811–Den Haag 1881). Zij gingen in dat jaar een samenwerkingsverband aan op het terrein van de nieuwsvoorziening. In 1844 werd deze samenwerking officieel vastgelegd.
Dat neemt niet weg dat er ook wel eens aan hun stoelpoten werd geknaagd. Zo stelde de directeur van concurrent de Staatscourant het monopolie van de Belinfantes aan de kaak. Daarbij stak hij zijn afkeer tegen joden niet onder stoelen of banken. De directeur pleitte voor ‘tegengif’ tegen ‘een vereniging van schrijvers (allen Joden), aan wier verdiensten men gaarne recht laat wedervaren, maar die dan toch deze taak met geen ander oogmerk vervullen dan om daarvoor geldelijk voordeel te verlangen’.
Ook zat het sommige journalisten niet lekker dat ze de in de Kamer op de publieke tribune moesten plaatsnemen, terwijl Belinfante-verslaggevers dichtbij de beleidsmakers zaten en dus ook dichtbij het vuur. Door lobbywerk van concurrent Izaak Jacob Lion kwam er in 1859 een perstribune waar alle journalisten toegang hadden.

Mr. Johan Jacob Belinfante (1874-1947), laatste directeur van het Correspondentiebureau, eerste directeur van het ANP - collectie Haags Gemeentearchief

Mr. Johan Jacob Belinfante (1874-1947), laatste directeur van het Correspondentiebureau, eerste directeur van het ANP –
collectie Haags Gemeentearchief

Banstraat 22, woonhuis van Johan Jacob Belinfante - collectie Haags Gemeentearchief

Banstraat 22, woonhuis van Johan Jacob Belinfante –
collectie Haags Gemeentearchief

Samenwerking met Vas Diaz
De familie Belinfante had nagenoeg een monopoliepositie op het terrein van de nieuwsvoorziening aan de binnenlandse dag- en weekbladen. De enige concurrent van formaat was de in 1844 door de NRC in Den Haag aangestelde correspondent (Salomon) Maurits Vas Dias (Den Haag 1847–Den Haag 1932). De samenwerking tussen de familieleden Belinfante en Vas Dias leidde in 1869 in de Haagse Nieuwe Molstraat 19 tot de oprichting van het Nederlandsch Correspondentiebureau voor Dagbladen, of zoals het in de bewaard gebleven notulen van dit persbureau wordt aangeduid: ‘het Correspondentiebureau’. Het persbureau was lange tijd gevestigd op de plaats in de Wagenstraat, waar later het hoofdkantoor van de Haagsche Courant zou komen.
Vele tientallen landelijke en regionale kranten maakten gebruik van de informatie van het Correspondentiebureau. Het Correspondentiebureau zou, ondanks de komst van concurrerende bureaus, tot de jaren dertig van deze eeuw in het centrum van de nationale nieuwsvoorziening staan.
Ook intern waren er soms spanningen binnen het Correspondentiebureau. Isaäcs zoon Maurits Belinfante kreeg het in 1886 aan de stok met zijn medevennoot Maurits Vaz Diaz. Inzet van het geschil was het belang van een goed draaiend persbureau en het belang van de klanten die hun uniciteit wilden bewaken.

Jan Belinfante (zittend links) interviewt de Roemeense minister van Buitenlandse Zaken, G.G. Moronesco (midden), ca. 1935 - Vereenigde Fotobureaux

Jan Belinfante (902-1942) (zittend links) interviewt de Roemeense minister van Buitenlandse Zaken, G.G. Moronesco (midden), ca. 1935 –
Vereenigde Fotobureaux

Einde monopolie en oprichting ANP
Het zou nog vijftig jaar duren voordat het Correspondentiebureau opging in het ANP, nadat de Belinfantes hun monopoliepositie verder hadden uitgebreid door een verbintenis aan te gaan met persbureau Aneta-Holland en Aneta-Batavia. Voor de directeuren van de dagbladen was dit laatste een brug te ver. Met de oprichting van het nationale persbureau in 1934 kregen ze eindelijk zeggenschap over de verslaggevers waar ze zo afhankelijk van waren.
In 1934 werd het ANP opgericht. Mr. Johan Jacob Belinfante (Den Haag 1874–Amsterdam 1947), kleinzoon van Maurits’ broer Frits was de laatste directeur van het Correspondentiebureau en de eerste directeur van het ANP in Den Haag. Hij woonde in de Banstraat 22 in de Haagse buurt Duinoord. Zijn zoon mr. Johan Frederik Ernst (Jan) (Den Haag 1902–Buchenwald, Duitsland 1942) kwam als adjunct-directeur in de directie. Op 30 juni 1935 beëindigde het Nederlandsch Correspondentiebureau voor de dagbladen de werkzaamheden en nam het ANP alle activiteiten en het verdere personeel over.
Johan Belinfante en zijn zoon Jan bleven actief in de directie van het ANP, totdat ze door de Duitse bezetter werden gedwongen hun functie op te geven. Jan verzorgde het nieuws in de meidagen van 1940. De Duitsers hielden hem verantwoordelijk voor het verspreiden van berichten over vermommingen van parachutisten. Via de strafgevangenis in Scheveningen kwam hij uiteindelijk in het concentratiekamp Buchenwald in Duitsland terecht, waar hij op 14 maart 1942 is gestorven. Zijn naam staat op de Erelijst van Gevallenen.
Johan overleefde de oorlog wel, hij stierf in 1947. Zijn nicht Emmy Belinfante, een van de eerste vrouwen in de journalistiek, kwam in 1944 om in concentratiekamp Auschwitz-Birkenau. Naar Emmy Belinfante is in de Haagse wijk Leidschenveen de Emmy Belinfantedreef vernoemd.

Na de oorlog bleven de Belinfantes wel actief in de journalistiek, maar de ‘onzichtbare almacht’ van de familie behoorde tot de verleden tijd.

Door Sal Stam (van 1995 tot 2008 redacteur bij het ANP)

—————————-
verder lezen
I.B. van Creveld, ‘Belinfante in Den Haag’, in: Misjpoge, 18-2 (2005); het artikel is online te raadplegen.

Stamboom van de familie Belinfante (opgesteld door I.B. van Creveld)

Joost Divendal, ‘Grootste journalistenfamilie in de Nederlandse persgeschiedenis. De Belinfante-dynastie’, De Journalist. Maandblad, orgaan van den Nederlandschen Journalistenkring, 106-6 (23 mrt 2001) pp. 16-20.

Een lijst met namen van leden van de familie Belinfante die zijn begraven op de Joodse begraafplaats aan de Scheveningseweg is opgenomen op de website van de Stichting tot Behoud van de Joodse Begraafplaats te ‘s-Gravenhage.